dinsdag 12 augustus 2014

Het lekkerste ijsje ooit

Het is voorjaar 1970, de afronding van de verpleegstersopleiding is nabij.
Er is een oefenavond voor de eindgesprekken georganiseerd die ik niet zal halen.
Als ik onder de douche vandaan kom glijd ik, met nog iets vochtige voeten onderuit, val recht op mijn stuit en breek een borstwervel. Ik beland met vijf weken ‘platte bedrust’ in een ziekenhuisbed op de klassenafdeling. Dat laatste is een schrale troost voor de leerling-medewerker die ik dan nog ben. Tegenwoordig verlopen de behandelingen van dergelijke wervelfracturen op een andere manier en voor zo ver ik weet bestaan klassenafdelingen niet meer, maar dit terzijde.
Ik lig de vijf weken braaf uit met alle ongemakken van dien. Ik ervaar wat het is om gewassen te worden en op zij moet draaien met hulp van twee collega’s. Dat ik niet bij het tuitbekertje water kan, omdat het nachtkastje buiten handbereik staat. Het is geen pretje om op een speciale po je behoefte te doen en als je urine tot aan je nek voelt lopen weet je niet hoe snel je op de bel moet drukken. Het sleetje bleek niet helemaal goed in stelling gebracht.
Elk vouwtje in het laken voel je op den duur. Het is een harde leerschool, maar voor de rest van mijn loopbaan hebben mijn patiƫnten er plezier van. Het is mij maar zelden overkomen dat ik vergat het nachtkastje op de goede plek te zetten en ben fanatiek gebleven op gladtrekken van onderlakens. En zo kan ik nog wel meer dingen noemen die mijn begrip voor de patiƫnt vergroot hebben.

Reuze blij ben ik met de prismabril die me in staat stelt, liggend op mijn rug, alle boeken te lezen die de dames van het UVV (unie voor vrijwilligers) mij wekelijks komen aanreiken.
Op het bedtafeltje aan het voeteneind prijkt een stapel studieboeken, maar echt zin heb ik niet in dat leesvoer. Mijn examen is drie maanden uitgesteld dus daarover hoef ik me voorlopig niet druk te maken. Ik breng de saaie dagen liever door met de capriolen van de Gebroeders Beekman van Toon Kortooms en ik herinner me dat ik ‘Het kan niet altijd kaviaar zijn’ van Simmel wel een toepasselijke titel vond en het boek met plezier heb gelezen.
Na vijf weken wordt een controlefoto gemaakt en mag ik geleidelijk aan in een andere stand. Dat betekent glooiend liggen en zelfstandig draaien, wat een vrijheid…niet meer hoeven bellen als ik op een andere zij wil liggen. De dag dat ik met behulp van een rugsteun, waar de kussens tegenaan zijn geschikt volgens het, inmiddels antieke verpleegkundeboek van Quanjer en van der Molen, rechtop zittend de warme maaltijd geniet, heugt me als de dag van gisteren. Het toetje is een vanille-ijsje met slagroom. Het lekkerste ijsje ooit.

5 opmerkingen:

  1. Een heel harde leerschool waardoor jij de meest attente verpleegster bent geworden. Neem nog maar lekker een ijsje.

    BeantwoordenVerwijderen
  2. Wat een mooi verhaal, ik kan me voorstellen dat je je dat nog steeds herinnert en ook dat je in je eigen loopbaan mee hebt genomen om juist op die kleine dingen te letten!
    En dat ijsje, ja dat kan niet anders als heerlijk zijn geweest...

    BeantwoordenVerwijderen
  3. Ja, dat van die kaviaar heb ik ook verslonden!
    En ook ik heb veel geleerd door langdurig te hebben moeten liggen. O.a. dat het heel vervelend is als iedereen op je bed komt zitten. En als er bij het stofzuigen steeds maar tegen het bed wordt aangeramd! Herinnerde me later altijd als dat aan de orde was.
    En zo'n ijsje - heerlijk en onvergetelijk!

    BeantwoordenVerwijderen
  4. Hoi Ferrara,
    bedankt voor jouw bezoekje aan mijn fotoblog.
    op jouw vraag: ja, dat klopt, mijn andere blog heb ik verwijderd want daar doe ik toch niet mee voort.
    en dit is een 'heerlijk' verhaal!!
    lieve groet, Hilde
    lieve groet

    BeantwoordenVerwijderen