zondag 7 februari 2016

Schrijfcursus

Opdracht 2:
We krijgen een foto van ineengestrengelde oude handen. 
De vraag is wat de afbeelding teweegbrengt.
Is het een herinnering of  misschien verlangen? Ik reis terug naar een leerzame periode in mijn loopbaan als verpleegkundige en schrijf onderstaand verhaal.
De namen van de bewoners zijn gefingeerd.
En nu maar hopen dat jullie het niet te lang vinden.

Commentaar van de schrijfcoach: Wat een mooi verhaal, ik zie het echtpaar voor me.
Jammer dat de beleving van je eigen indrukken buiten beeld blijft.


foto internet
Koude Kermis

Het is 1977 en ik loop stage in een verpleeghuis voor psychogeriatrie. 
De stage is een verplicht onderdeel van de opleiding tot psychiatrisch verpleegkundige. Hoewel ik op een gesloten afdeling ben geplaatst, gaat er een wereld voor me open. 
Binnen de verpleging in het ‘gewone’ ziekenhuis heb ik tien jaar ervaring, maar nog nooit heb ik zoveel bejaarde verwarde mensen bij elkaar gezien. De afdeling wordt bevolkt door 25 vrouwen en mannen die allemaal, in een vergevorderd stadium, de ziekte van Alzheimer hebben. Deze mensen hebben bij alle dagelijkse handelingen hulp nodig en zouden op een open afdeling niet meer kunnen functioneren. Een aantal van hen heeft last van bewegingsdrang en is voortdurend aan de wandel. Ze zijn het spoor dermate bijster dat ze buiten de afdeling meteen zouden verdwalen.
De unit waar ik werk is in een cirkel gebouwd. Aan weerskanten van de gang liggen de slaapkamers, de huiskamer en de keuken. In het midden zijn de badkamer, de spoelkeuken en een ruimte voor linnengoed gesitueerd. Deze bouw zorgt ervoor dat er visueel aan de gang geen einde is. Voor bewoners met bewegingsdrang lijkt dat veel vrijheid te geven.
Let wel, ik praat hier over de jaren 70 van de vorige eeuw. Sindsdien is er wat betreft inzichten over zorg en welzijn veel veranderd. Verpleeghuizen met vier verdiepingen worden niet meer gebouwd. Tegenwoordig bestaan dit soort huizen uit laagbouw met prachtige tuinen en hebben bewoners, zelfs op een gesloten afdeling, meer bewegingsvrijheid.

Onder de bewoners waar ik mee te maken heb, bevindt zich het echtpaar Breedveld.
Het lot heeft beslist dat ze tegelijkertijd de ziekte van Alzheimer krijgen en het doorlopen van verschillende stadia verloopt parallel. Dat is een geluk bij een ongeluk, want het betekent dat dit stel, dat zeer aan elkaar verknocht is, samen kan blijven. De familie Breedveld heeft een eigen slaapkamer waarin de eenpersoonsbedden knus tegen elkaar zijn geschoven.
Hij is een grote rijzige man met blauwe pretoogjes die het vrouwelijk schoon nog steeds op waarde weten te schatten. Je ziet meneer Breedveld nooit zonder stropdas en vest.
Hij houdt van stijl en probeert dat op gezette tijden nog in ere te houden. Hij weet met flair de huiskamerdeur voor je open te houden. Dames gaan voor, is stevig ingebakken.
Mevrouw Breedveld is een fragiele vrouw met rode appelwangetjes. Haar kleding oogt netjes, maar de jurken slobberen om het magere lijfje. Haar permanentje blijft nooit lang in vorm. 
Het echtpaar is onafscheidelijk. Samen wandelen ze, hand in hand, een groot deel van de dag hun rondjes in de gang. Waar hij gaat, gaat zij ook. Je zou kunnen zeggen dat ze haar man scherp in de gaten houdt. Als zijn ogen de vrouwelijke verzorgenden teveel volgen wil zij, in een helder moment, nog wel eens snibbig uit de hoek komen. ‘Pieter, kijk al het moois er niet af.’ Waarop Pieter haar even stevig knuffelt, zodat ze weet dat hij haar trouw is.

Tijdens de maaltijden wordt het verschil in gewoontes tussen de bewoners goed zichtbaar.
Waar meneer Dijkstra, in zijn pak dat aan het eind van de dag grijs ziet van de sigarenas, zijn elleboog op tafel legt en zijn warme hap naar binnenschuift, vouwt het echtpaar de servetten keurig op hun schoot uit. Mes en vork worden volgens de regels gehanteerd.
Men geniet zichtbaar van het eten. Aan de overkant van de tafel doet mevrouw van Klaveren hetzelfde, maar wegens een niet passend gebit, smult zij smakkend van haar geprakte maaltje. Haar overbuurvrouw kan het niet waarderen en laat haar afkeuring blijken. 
‘Mens waar zijn je tafelmanieren, het is niet om aan te horen.’ Mevrouw van Klaveren moet het wel vaker ontgelden. Zij is zo mogelijk nog kleiner dan mevrouw Breedveld. Zij heeft de gewoonte staande weg te dromen terwijl ze zich aan de steunbalk in de gang vasthoudt.
Zo vormt ze voor de wandelaars een obstakel waar ze omheen moeten laveren. 
Mevrouw Breedveld doet menig poging dwars door het mensje heen te lopen: ‘Aan de kant je staat in de weg.’ Mevrouw van Klaveren heeft geen idee wat er van haar wordt verlangd en blijft op haar plek. Onder leiding van Pieter’s zachte hand lost dit euvel zich meestal vanzelf op.

Overdag bestaan de werkzaamheden uit dagelijkse verzorging. We voorzien de bewoners van hun natje en droogje. Zorgen voor toiletgang met alle bijbehorende werkzaamheden, zoals verwisselen van incontinentiemateriaal en soms is een wasbeurt nodig.
We lezen gezamenlijk de krant en assisteren de collega’s van de activiteitenbegeleiding bij hun werkzaamheden. In deze setting heb ik opnieuw leren breien en haken. De liedjes uit de bundel ‘Kun je nog zingen, zing dan mee’ zijn me gelukkig niet vreemd en sommige psalmen en gezangen weet ik ook nog uit mijn geheugen op te diepen.

In een drukke avonddienst heb je voor dergelijke jolijt geen tijd. Twee verzorgenden moeten 25 bewoners van eten en drinken voorzien en er tevens voor zorgen dat iedereen, liefst schoon, in bed ligt voor de nachtdienst om 22.30 uur de verantwoording overneemt.
Het is vermoeiend en tijdrovend werk. Veel bewoners laten zich gedwee de nodige verzorging aanleunen, maar er zijn er ook die weerstand bieden en dat vraagt takt en overredingskracht. Soms besluit je jouw zin niet door te drijven en verplaats je de handelingen naar iemand anders. Meestal waait de bui over en is de bewoner in kwestie vergeten dat hij of zij nog niet naar bed wil.

Tijdens zo’n avonddienst word ik op de gang door een man aangesproken.
‘Zuster, mijn vader ziet er uit alsof hij van de kermis komt.’ Ik vind het vreemd op dit tijdstip nog een bezoeker aan te treffen, maar blijkbaar heeft mijn collega de man binnengelaten.
De vader blijkt meneer Breedveld te zijn die al minstens een uur onder de wol ligt in zijn blauw gestreepte pyjama met zijn vrouw naast zich in een roze flanellen nachthemd.
Ik begrijp er niets van en loop met de zoon naar de kamer van zijn ouders.
Meneer Breedveld heeft kans gezien zijn kleding uit de kast te vissen en heeft zich aangekleed. Het overhemd is onregelmatig dichtgeknoopt, een rode stropdas hangt half om zijn nek en zijn gulp staat op een kiertje. Hij slaapt en snurkt er flink op los.
Voor een zoon moet dit een confronterende aanblik zijn. Het ziet er uit alsof zijn keurige vader met een flinke slok op zijn roes ligt uit te slapen. Inderdaad zo van de kermis …
Ik doe een poging de situatie uit te leggen, maar heb al snel in de gaten dat ik niet word geloofd. ‘U heeft mijn vader aan zijn lot overgelaten. Hij kan niet voor zichzelf zorgen juist daarom hebben we hem hier gebracht.’
Dat zijn moeder keurig verzorgd in bed ligt ontgaat de man blijkbaar. Ik toon begrip voor het gevoel van de zoon, maar het onheil is geschied. Ongenoegen en een afwerende houding zijn mijn deel. Als ik de afdelingsdeur voor hem ontsluit zegt hij op afgemeten toon. ‘U hoort hier nog van, ik ga een klacht indienen bij uw afdelingshoofd.’
Mijn collega kijkt niet op van deze dreiging. ‘Echt iets voor Nico Breedveld. Als hij al op bezoek komt is het op een onzalig tijdstip en steevast klagen. Trek het je niet aan, zijn zuster roept hem wel tot de orde. Die begrijpt de gang van zaken rond haar ouders beter.’
Samen hijsen we de mopperende kermisklant opnieuw in zijn pyjama. Hij sliep net zo lekker en nu maken wij hem wakker, stelletje slavendrijvers. Zijn vrouw slaapt door alle tumult heen. Wij maken onze werkzaamheden af en ik schrijf het ongenoegen van zoon Breedveld zo nauwkeurig mogelijk in het rapport voor het geval hij toch met een klacht komt.
Ook de verzorgende in de nachtdienst denkt dat het zo’n vaart niet zal lopen.
Blijkbaar zijn mijn collega’s dit soort situaties gewend, ze schuiven mijn zorgen over een eventuele slechte beoordeling met gemak van tafel.
Eenmaal thuis, zak ik met een glaasje wijn nog even onderuit en spoel daarna mijn zorgen door het doucheputje.

Als ik de volgende dag mijn dienst begin is meneer Breedveld weer helemaal het heertje en uiterst voorkomend. Zijn vrouw pikt het niet. ‘Stel je niet aan Pieter, zij is van de bediening, dat zie je toch.’ Hij geeft me een knipoog terwijl hij zijn vrouw bij de hand pakt en met haar uit wandelen gaat. Van zoon Nico hebben we nooit meer iets gehoord.

4 opmerkingen:

  1. Mooi beschreven. Ik was er echt even bij aanwezig.
    Samen dementeren lijkt me altijd nog beter dan alleen.

    BeantwoordenVerwijderen
  2. Ik vond het een mooi verhaal en visueel inleefbaar. Ik vind het juist heel mooi dat je niet teveel over je eigen emoties schreef dat geeft de ruimte om het mijne erbij te voelen en duidelijk is dat je er erg mee begaan was. Uiteindelijk spoel je de zorgen weg. Duidelijk genoeg lijkt mij. Goed geschreven!

    BeantwoordenVerwijderen
    Reacties
    1. Ik heb het commentaar van de coach heel kort samengevat.
      Zij geeft altijd reacties in het stuk zelf en dat geeft hier moeilijk weer. Ze vond het ook goed geschreven en daar ben ik blij mee.

      Verwijderen
  3. Wat heb je dit goed beschreven Ferrara

    BeantwoordenVerwijderen