donderdag 22 december 2016

Maria en de kaarsjes

In de supermarkt, waar de luxe lekkernijen voor Kerst hoog opgetast liggen en André Hazes zijn eenzame Kerst over het winkelend publiek uitstort, scharrelt bij het vak met kaarsen een dame op leeftijd. Ze heeft kunstmatige blosjes op haar wangen, de knalrode lipstick op haar lippen is enigszins uitgelopen. Het grijze haar is met een ondoleertang in strakke golven gemodelleerd. Om haar heen hangt een aureool van onzekerheid.
Ik zoek in het schap naast de kaarsen naar servetten en zie, vanuit mijn ooghoek, dat de dame in kwestie mijn kant op komt. In een flits realiseer ik me dat dit tijd gaat kosten, maar in tegenstelling tot de mensheid om mij heen heb ik niet echt haast en besluit haar de aandacht te geven die ze blijkbaar nodig heeft. Mevrouw vraagt advies over het rijke assortiment dat de super in de aanbieding heeft. Kan ze beter Gouda Kaarsen nemen of de goedkopere soort van eigen merk. Wat is het verschil in branduren en zullen de kaarsen van eigen merk niet erg druipen? Ook wil ze graag weten hoe drijfkaarsjes werken en hoe lang die branden. De werking kan ik uitleggen, maar van het aantal branduren heb ik geen idee. Terwijl om ons heen met drukke bewegingen de karretjes worden gevuld, vormen wij een eiland van rust voor het non-foodvak.

Ze vertelt dat ze thuis een Mariabeeldje heeft en dat de kaarsen de komende weken naast het beeldje dienst moeten doen. Ze overweegt drijfkaarsjes te kopen omdat ze bang is voor brandgevaar.
Samen nemen we de hele voorraad door en ik lees de waarschuwingen op de verpakking voor.
Kaarsen niet te dicht bij elkaar zetten, niet op de tocht, niet in de buurt van gordijnen plaatsen enz.
In gedachten zie ik Maria met een devoot gezicht in een hemelsblauw gewaad omringd door flakkerende kaarsen op een ouderwetse schouw staan. Stel je voor dat deze bezorgde dame ’s avonds vergeet de kaarsen uit te blazen.
Ik vraag haar of ze niet beter lampjes op batterijen kan kopen. Het is wel zo veilig en ze gaan wat branduren betreft heel wat uren mee.

Alsof ik heiligschennis heb gepleegd kijkt ze mij met een van afschuw vertrokken gezicht aan. ‘Kunstlicht mevrouw? Dat kan niet hoor, Maria moet goed gestemd raken en dat krijg je met een kunstlichtje niet voor elkaar.’
Het is haar duidelijk dat ik van de stemmingen van Maria geen kaas heb gegeten, maar ze wil haar verhaal zo graag kwijt dat ze mijn onverstand voor lief neemt.  
‘Weet u, ik zit in de zorgen om een moeder die met haar kind in Duitsland woont. Ze willen zonder enige vorm van juridisch proces het jongetje bij zijn moeder vandaan halen. Het is toch schande dat ze in deze tijd van het jaar met het kerstfeest in aantocht, moeder en kind willen scheiden.’
Ik zeg dat het me onwaarschijnlijk lijkt dat bij een dergelijke handeling de rechtbank of jeugdzorg niets heeft te zeggen.
Die opmerking wordt me ook al niet in dank afgenomen. Ze doet haar uiterste best mij van het onrecht te overtuigen en ik moet begrijpen dat alleen Maria deze gerechtelijke dwaling met behulp van echte kaarsen kan voorkomen. Langzaam vullen haar ogen zich met tranen. Ik heb met het dametje te doen en onderdruk de neiging een arm om haar heen te slaan. In plaats daarvan wens ik haar sterkte en zeg dat ik hoop op een goede afloop. Dat ik twijfels heb over de kunsten van Maria laat ik wijselijk achterwege.
Terwijl ze haar ogen droog dept met een fijn geborduurd zakdoekje, recht ze haar rug, bedankt mij voor de hulp en begint een nieuwe speurtocht naar geschikte kaarsen.

Als ik thuis de boodschappen uitpak blijkt dat ik de servetten ben vergeten.

2 opmerkingen:

  1. Mooi beschreven. De arme ziel gelooft nog ouderwets. Ik hoop dat ze niet teleurgesteld wordt.
    En jij zit zonder servetten...

    BeantwoordenVerwijderen
  2. Mooi zo'n ontmoeting! Hoop dat haar missie slaagt!
    Fijne dagen gewenst!

    BeantwoordenVerwijderen