De opdracht: schrijf een gedicht of een verhaal over het inpakken van een koffer.
Dit keer was de coach tevreden.
Het advies de zin over de opgebolde parketvloer wat vloeiender te schrijven heb ik opgevolgd.
Inpakken en wegwezen
Al de hele week maalt die ene zin in mijn hoofd.
‘Ik ga op reis en neem mee.’
Verder kom ik niet met deze schrijfopdracht. Waar ik normaal
gesproken mijn koffer (te) goed weet te vullen, krijg ik deze niet eens open.
Het kreng achtervolgt me iedere dag. In de trein op weg naar
een museum. De rolkoffer van de buurman die op vakantie gaat, haalt me uit de
slaap en mijn eigen koffer staart mij vanonder het bed zwijgend aan. ‘Ga weg’,
sis ik. ‘Ik heb geen tijd voor je.’
Dit weekend ga ik uit en heb ik geen koffer nodig. Een weekendtas
en mijn beautycase zijn voldoende. ’s Nachts in een hotelbed slaap ik onrustig.
Ik droom dat er een geluidswagen door onze straat rijdt. Uit
de luidspreker klinkt een strenge stem die alle bewoners sommeert een koffer te
pakken en over een half uur klaar te staan voor evacuatie. Er dreigt een grote
overstroming.
Een half uur om een koffer te vullen, hoe groot mag hij zijn
en hoe lang zijn we weg van huis en haard? Vragen waar geen antwoord op komt.
Overstroming? Laarzen dus. Die kan ik beter meteen aan doen. Dikke, warme
kleding van hetzelfde laken een pak. Haastig gooi ik flink wat ondergoed op de
bodem. Elke dag een verschoning daar ben ik tenslotte mee opgevoed.
Een extra
trui en lange broek. Voor echtgenoot verricht ik dezelfde handelingen.
Toiletspullen spreekt voor zich. Elektrische tandenborstel?
Maar niet, stel je voor dat ze ons in een grote tent onderbrengen, dat wordt
dringen voor de schaarse elektra die daar aanwezig zal zijn. Ik zie het voor me,
de hele straat staat in de rij om telefoons en tablets aan de lader leggen.
Föhn en laptop laat ik om dezelfde reden thuis. Ik zeg echtgenoot extra
batterijen voor zijn scheerapparaat mee te nemen.
Boeken, veel boeken, want ik heb geen idee hoe lang die
evacuatie gaat duren en ik wil me niet vervelen. Veel boeken … veel ballast.
Toch maar de e-reader waar nog de -gelezen-vulling van de vakantie opstaat.
Geen tijd om nieuwe voorraad te downloaden. Ach, sommige titels wil ik gerust nog eens lezen.
Boeken? Ik schrik op. In gedachten zie ik een opbollende
parketvloer en de boeken op de onderste planken soppend in het water. Ik ren
naar beneden en begin alle boeken van Jo Spier, die we zorgvuldig hebben
verzameld, op tafel te stapelen. Echtgenoot verschijnt in de deuropening. ‘Ben
jij mal, die boeken kunnen niet mee.’
‘Dat snap ik ook wel, help liever je kostbaarheden veilig te
stellen in plaats van me op te drijven.’ De geluidswagen verschijnt opnieuw. ‘U heeft
nog tien minuten.’
Reisscrabble en woordenboek sla ik onder mijn arm en vlieg
de trap weer op.
Het belangrijkste zou ik bijna vergeten. Ik gris een groot
notitieboek en een handvol pennen van het bureau. Het kleine notitieboekje dat
altijd met mij meegaat en waar ik observaties en afgeluisterde gesprekken in
noteer, is vast niet afdoende op deze reis.
Met de hele straat geëvacueerd worden daar zit een lading
stof tot schrijven in.
De geluidswagen meldt dat we over vijf minuten op straat
moeten staan. Ik prop nog snel een warme pyjama in de koffer en rits hem dicht.
Lipstick en oogmake-up stop ik in mijn jaszak. Opgelucht haal ik adem. Dat heb
ik mooi op tijd gefikst.
Ik hoor de zware motor van de bus die de straat indraait.
Het geluid van een vuilcontainer die wordt geleegd helpt me
uit de droom.