‘Nou daar zit ik dan weer op mijn kist vol dobbers, snoeren,
haken en aas.
Mijn groene tentje tegen regen en zon opgezet in de berm,
het lijkt erop dat ik het vandaag niet nodig heb. Gelukkig maar, want zo leuk
is het niet langs de waterkant.
De meeste vissers aan weerszijden van mijn vaste plek denken
waarschijnlijk dat ik hier dagelijks voor mijn lol zit.
Eigenlijk zit ik hier naar die dobber te staren omdat mijn
vrouw vindt dat ik thuis te veel ruimte inneem. Ik zit haar in de weg als ze
haar dagelijkse poetspraktijken op ons sociale huurwoninkje loslaat. Je zou
zeggen je bent wel een keer klaar in dat petieterige onderkomen van ons, maar
zo steekt mijn vrouw niet in elkaar.
Elke dag komt de stofzuiger tevoorschijn, worden de meubels
nat afgenomen en staan de ramen wijd open om de boel te luchten. Gek word ik ervan.
Je kunt beter de weergoden trotseren en je hengeltje in het
water gooien dan de hele dag met zo’n vrouw opgescheept zitten.
En denk maar niet dat ik de gevangen vis mee naar huis mag nemen.
Vis en baklucht zal je bij mij thuis niet ruiken. Op weg naar huis haal ik bij
de visboer een portie kibbeling dat ik voor zijn toonbank naar binnenwerk, scheelt
een hoop gezeur aan mijn kop.
Het liefst was ik een moestuin begonnen, beetje aardappelen
en bonen poten, onkruidje wieden, meedoen aan de wedstrijd wie de hoogste zonnebloem
op de tuin heeft, dat soort zaken vind ik leuk. Maar ik mag van Trientje Poets niet
met zand aan mijn schoenen thuis komen, laat staan dat ze zanderige aardappelen
en groente in haar brandschone keuken duldt. Je hebt op zo’n tuin ook meer
aanspraak dan in de visserswereld waar zwijgzaamheid een groot goed is.
Ach, het komt me wel uit, hoef ik niet op te biechten waarom
ik hier ‘s zomers elke dag de boel optuig.’
ColumnX uitdaging van de maand augustus: Schrijf een verhaal vanuit de andere sexe.





