Voorzichtig peuteren ze de fles uit de door de zon verbrande vingertjes en hangen hem in een houder boven het bed. Natte handdoeken moeten het oververhitte lijfje koelen. Volmatroos Filippe neemt de eerste wacht. Met boter uit de scheepskeuken probeert hij de opgezette gebarsten lippen wat zacht te maken. Regelmatig ververst hij de handdoeken die na een aantal uren eindelijk hun verkoelende werk doen. Terwijl de zeeman zachtjes over de vastgeplakte haren strijkt slaat het jongetje zijn ogen op. Angstig kijkt hij naar het door weer en wind verweerde gezicht van de man die boven hem uittorent. Filippe probeert in het Engels geruststellende woorden te spreken. ‘Blijf stil liggen, wij gaan voor je zorgen alles komt goed.' Maar het jongetje begrijpt niets van wat hij zegt. Het liefst zou hij willen huilen, maar zijn tranen zijn net als zijn huid verdroogd door de zon. Filippe probeert met natgemaakte gazen uit de verbanddoos wat water tussen de droge lippen te druppelen. Tot zijn opluchting maakt het kind slikbewegingen. Als hij kan slikken kan hij ook zuigen denkt de matroos en hij doordrenkt de gazen met lauw water.
Nog meer lange uren verstrijken, zodra de peuter even bij bewustzijn is krijgt het beetje bij beetje vocht toegediend. Bij toerbeurt betrekt de bemanning de wacht bij hun beschermeling. Onderling noemen ze hem Gulliver. Tegen de tijd dat het schip in Dubai zal afmeren weet het jongetje niet beter dan dat zijn naam is.
In de dagen die volgen knapt Gulliver zienderogen op. Zodra hij in staat is zijn armen te bewegen grijpt hij naar de fles boven zijn hoofd. Zijn redders, die moeten gissen wat er met hun zorgenkind is gebeurd, begrijpen dat hij houvast zoekt. Vanaf dat moment staat de fles altijd binnen handbereik bij zijn bed. Gulliver wordt steeds levendiger, hij wil opstaan en spelen. Voor zijn veiligheid aan boord en om hem tegen de zon en andere weersinvloeden te beschermen, wordt de stuurhut van de "Quo Vadis" voor de rest van de zeereis overdag zijn speelterrein.




