Op een nacht hebben de bomen in
het Grote Bos oren gekregen.
Rinus Kabouter en Simon Boktor zien op hun
gezamenlijke ochtendwandeling de uitsteeksels het eerst. Bij Simon slaat meteen
de achterdocht toe. ‘Rinus, het is hier niet pluis. Ik vermoed dat Grote
Oorwurm bezig is met afluisterpraktijken, dat gaat ten koste van onze vrijheid.
We zijn gek als we dat op zijn beloop laten. Laten we alle bosbewoners optrommelen en een demonstratie organiseren.’
De volgende dag heeft alles
wat loopt, kruipt en vliegt zich op het open veld in het midden van het bos
verzameld. Er heerst grote onrust over de oren die aan de bomen bevestigd zijn. “Wij
dulden geen afluisterpraktijken” staat er op het bord dat Rinus en Simon aan de
rand van het veld hebben neergezet.
Er wordt gefluisterd, gepiept
en gesist over Grote Oorwurm.
Ze hebben hem geen van allen
ooit gezien, maar ze weten dat hij er is en dat hij probeert de macht in het
bos naar zich toe te trekken. Tot nu is er niemand de baas geweest en gaat het
bosleven op vredelievende wijze zijn gang.
Men respecteert elkaar en
waar nodig schieten de bewoners elkaar te hulp.
Pas nog heeft Leo Spitsmuis
de bejaarde Francientje Eekhoorn helpen zoeken naar verstopte eikeltjes.
Francientje raakt de laatste tijd steeds vaker de weg en eikels kwijt, maar
alle bosbewoners zorgen voor haar.
Rinus klimt op een boomwortel
en maant de piepende en sissende menigte tot kalmte.
‘Beste bosbewoners, zoals
jullie kunnen zien zijn de bomen sinds gisteren van oren voorzien. Vermoedelijk
zit Grote Oorwurm zijn geheime dienst hier achter. Als wij nu niets doen hebben
we totaal geen bewegingsvrijheid meer en worden we elk moment afgeluisterd. De
bladeren zullen alles wat ons aangaat doorritselen naar zijn hoofdkantoor.’
‘Wat is daar erg aan?’ krast Fred
Ekster. ‘Van mij mag ie, ik heb niets te verbergen. Als je er rotzooi mee kunt
voorkomen moet je dat altijd doen.
Je weet maar nooit wat hier aan vreemd
gespuis rondscharrelt en wat het in de zin heeft. Er hoeft maar een
processierups neer te strijken en de eiken staan er kaalgevreten bij. Iedereen
weet dat dat slecht is voor de eikeloogst, zou toch mooi zijn als je dat kunt
voorkomen.’
Sjoerd Bonte Specht dient
Fred van repliek. ‘Jij hebt niets te verbergen?
Zou je het goed vinden dat
Oorwurm hoort dat jij eikels van Francientje loopt te jatten en dat hij je
daarvoor zou kunnen straffen? Wie weet maakt hij je vleugellam, zie je het voor
je? Een ekster die niet meer van de grond komt, je zou het niet overleven.’
Opgewonden mengt Liesje
Woelmuis zich in het gesprek. ‘Die oren moeten zo snel mogelijk weg. Als ze
horen dat Sophie en ik een holletje delen hebben we onze langste tijd in dit
bos gehad.’
Fred kraait van plezier.
‘Horen jullie dat, Liesje en Sophie zijn een setje. Verrekte lollig zo’n
bijeenkomst, je hoort nog eens wat.’
Nu wordt het de Vlaamse Gaai
te gortig. ‘Kun jij nou nooit eens serieus reageren, als je die oren niet
ernstig vindt kras dan op. Ik wed dat mijn naam al genoeg is voor ergernis bij
Grote Oorwurm, terwijl ik niet eens een Vlaming ben.’
Rinus grijpt in. ‘Met elkaar
de vlooien af te vangen komen we niet van die oren af, we moeten iets bedenken
om ze te verwijderen. Sjoerd kunnen jij en je maten die oren niet stuk rammen?’
‘Heb je gezien hoeveel het er
zijn? Daar is geen beginnen aan. Nee, we moeten er op zijn minst met gif op.’
Klazien, de echtgenoot van
Rinus, komt in het geweer.
‘Gif, ben jij gek, wat denk
je wat dat doet met ons biologische moestuintje.
En niet alleen met het
tuintje, maar ook met de rest van de grond in ons bos. Trouwens alles wat op de
grond leeft, loopt de kans het loodje te leggen.
Gif is geen oplossing.’
Instemmend wordt er gepiept,
gesist en geritseld. Alle torren slaan demonstratief op hun schildjes.
Voordat Rinus opnieuw het
woord kan nemen klinkt er boven de hoofden van het opstandige volkje een
bescheiden kuch.
De wijze uil Professor Alweet
vraagt de aandacht.
‘Benieuwd wat die wijsneus heeft
te orakelen.’ probeert Fred de menigte op te stoken.
Francientje, in een heldere
bui, wijst hem terecht. ‘Laat die vogel zeggen wat hij op het hart heeft. In
dit doorgedraaide bos heeft iedereen recht op zijn mening.’
‘Dank je wel, laat ik
beginnen met een vraag. Wie van jullie heeft Grote Oorwurm ooit gezien?'
De opgewonden menigte zwijgt.
‘Niemand? Jullie laten je dus angst aanjagen door een onzichtbaar iets. Is het
ooit bij jullie opgekomen dat de boosdoener in kwestie niet bestaat, maar dat
hij leeft in jullie hoofden en dat jullie elkaar gek maken?’
‘Die oren komen zomaar uit de
lucht vallen, die zijn niet door Big Brother Oorwurm aangebracht?’ Weer is het
Fred Ekster die vindt dat hij een pesterige opmerking moet maken.
‘Amice, ik had jou wijzer
geacht, kijk eens goed naar die oren.
Het zijn gewone oorzwammen,
maar jullie met je angstige breintjes zien er gevaarlijke oren in. Geloof me,
met zwammen is nog nooit iemand groot geworden. Je kunt er woorden mee
opblazen, maar inhoudelijk bereik je niets. Vandaag of morgen of anders
volgende week verschrompelen die uitsteeksels en vallen ze op de grond waarna
iedereen er zijn buikje aan kan vol eten. Sommigen van jullie doen er
verstandig aan de provisie voor de winter op peil te brengen.’
Om het betoog van Alweet
kracht bij te zetten tikt Leo Spitsmuis tegen een laaghangend oor dat door de
lichte beweging in het mos onder de boom ploft.
‘Zien jullie het nu?’ vraagt
Alweet. ‘Paniek om niets, angst is een slechte raadgever.’
In de menigte gaat gejuich
op, men stampt met de pootjes op de grond.
Door de trilling vallen her en der
nog meer zwammen op de bosgrond.
Het duurt niet lang voor
iedereen zich op het lekkers stort.
Even dreigt er ruzie te
ontstaan als Fred en Sjoerd aan hetzelfde stuk zwam staan te sjorren. De
hapklare brok scheurt onder het geweld van de snavels in gelijke helften.
En zo eindigt de demonstratie
in een gezellige picknick.
Alweet beziet vanuit zijn
hoge zetel het stelletje ongeregeld en schudt zijn wijze kop. Hij zegt het niet
hardop, maar denkt er het zijne van.
‘Bosbewoners, het zijn net
mensen’
foto ferrara