De vrouw in zwart- wit is een opvallende verschijning, zowel
in haar gedrag als in haar kleding. Elk kledingstuk dat zij draagt, lange
broek, tuniek en jasje, heeft een ander motief.
Het geeft haar uiterlijk een gewaagde uitstraling die doet
denken aan de op-art uit de jaren zestig van de vorige eeuw. De strohoed op
haar hoofd, een flink formaat witte tas aan de schouder en een forse
kralenketting om haar nek maken de verschijning compleet.
Het oogt een beetje als vergane glorie maar de chic van
weleer hangt onmiskenbaar om haar heen.
Op haar trage zoektocht in het eersteklastreinstel, met een
zee aan zitmogelijkheden, vindt ze in het enige compartiment voor vier personen
een jongeman die een gigantische koffer tussen de overgebleven zitplaatsen
heeft gezet. Mevrouw levert commentaar op de ruimte die de eenling inneemt,
maar die is niet van zins in te schuiven. De NS blinken nou eenmaal niet uit in
riante bergruimte voor de vakantiebagage. Mopperend kiest de dame uiteindelijk
voor een plekje dat ruimte biedt aan twee reizigers.
Meneer F. en ik zitten tegenover
elkaar op het smalle stuk aan de andere kant van het gangpad en zien geamuseerd
toe hoe ze zich mokkend in haar lot schikt.
Halverwege de reis richting Amsterdam krijgt de dame hoge
nood. In zichzelf mompelend laveert ze door het slingerende gangpad naar het
toilet. Op het moment dat ze haar plaats weer inneemt klinkt uit de intercom de
nodige informatie voor het volgende station, over mogelijkheden tot overstappen
en aansluitingen op andere treinen. Voor de reiziger met de vakantiekoffer het
sein om op te stappen.
De vrouw in haar zwart-witoutfit haast zich om de
vrijgekomen ruimte te veroveren. De omvangrijke tas pontificaal op de zitting naast zich.
Terwijl wij babbelen over de wandeling in de Jordaan die ons
in Amsterdam staat te wachten komt zij, na een bocht in het spoor, in de volle
zon te zitten.
Sputterend over zoveel weldadigheid wisselt ze met haar
handtas van plaats.
Ze blijft enigszins onrustig heen en weer bewegen. Blikt
achterom om de lichtkrant met informatie te lezen en vraagt met lichte paniek
in haar stem of deze trein wel naar Utrecht gaat. Wij geven het geruststellende
antwoord dat dat inderdaad het geval is.
Tot onze verbazing raapt ze op Amsterdam Centraal haar
spullen bij elkaar en is ze in rap tempo voor ons aan op het perron. Bezorgd
zeg ik tegen meneer F. ‘Dat wordt dwalen als ze naar Utrecht moet.'
Vast van
plan haar weer op de juiste koers te krijgen, tik ik haar op de schouder.
‘Mevrouw u moet toch naar Utrecht, dit is Amsterdam Centraal.’
Verrast draait ze zich naar mij om. ‘ Wat ontzettend attent
van u, maar ik stap hier over op de stoptrein, mijn auto staat namelijk in A. maar
dank voor uw zorgen en prettige wandeling in de Jordaan.’ Op weg naar het goede
perron verdwijnt ze in de mensenmassa.
Naast mij mompelt meneer F. ‘Met haar gehoor is in
elk geval niks mis.’