Pittig katje
In aflevering 7 van deze
rubriek heb ik beloofd over mijn operatie te vertellen. Ik rakel het gebeuren
niet graag op, maar belofte maakt schuld.
U herinnert zich waarschijnlijk nog dat ik,
na met Karel aan de rol te zijn geweest, naar huis ga en daar enthousiast word
ontvangen. Weet ik veel dat er een afspraak is gemaakt met dokter Messel, de
witjas die me destijds naar het asiel liet afvoeren en die me nu van de vlinders
in mijn buik moet afhelpen.
Terwijl ik Karel door middel
van een flinke wasbeurt probeer kwijt te raken, zit hij ’s avonds jammerend op
de stoep. Mijn mens is niet gecharmeerd van zijn lokroep en vanuit het
keukenraam bezorgt ze met de bloemengieter de zingende kater een natte vacht.
Karel druipt af.
De volgende morgen word ik de
reismand gepropt. Even ben ik bang dat Ferrara genoeg heeft van mijn
geldverslindende aanwezigheid en mij voor straf terugbrengt naar het asiel.
Opgelucht haal ik adem
wanneer ik de geur van de witjas in mijn neus krijg.
Zijn werkterrein is ook geen
omgeving waar je blij van wordt, maar alles is beter dan het asiel. Gelukkig
zitten we niet lang in de wachtkamer waar een nieuwsgierige bordercollie aan
mijn mand komt snuffelen. Voor de show zet ik een hoge rug op en trek mijn
tanden bloot. De baas van de collie vindt mij een ‘pittig katje’. En zo is het.
Op tafel bij dokter Messel
laat ik me nog even van de venijnige kant zien.
Ik probeer een nagel in zijn
vinger te zetten, maar de man is op zijn hoede en voor ik er erg in heb berooft
hij me van mijn bewustzijn. Wat hij met me uitspookt wordt me duidelijk als ik
aan het eind van die dag goed wakker word. Van het pittige katje is niet veel
over. Gedrogeerd en met een kaal geschoren buik lig ik, ingerold in een oude
handdoek, voor de kachel.
Een klein naadje wordt met twee draadjes bij elkaar
gehouden.
Dokter Messel heeft er een paar flinke knopen ingelegd zodat ik ze
niet kan lospeuteren met mijn tanden. Voorlopig heb ik geen interesse in
hechtdraad.
Ik ben misselijk en als ik
mijn ogen opendoe draait de kamer als een dolgedraaide molen om me heen. Mijn
vier poten werken op geen enkele manier mee en mijn achterlijf hangt er als een
natte dweil bij. Ik begrijp nu wat het woord 'hondsberoerd' betekent. Doodstil
liggen is het enige wat me bevalt. Op de grond zit Ferrara naast me, ze aait me
over mijn kopje, dat is wel lekker. Spinnen lukt nog net.
Die nacht slaapt mijn mens op
de bank in de kamer. Ze blijft in de buurt om me meteen te kunnen helpen voor
het geval dat nodig mocht zijn. Maar zoals ik al meer heb laten zien, ik blijk
uit een sterk geslacht te komen want de volgende dag word ik wakker als een
herboren poes.
De wereld om me heen staat
stil, mijn lijf werkt weer en ik heb trek in een stevige maaltijd. Ferrara
snijdt een beetje vers hart voor me en vult een bakje met water. Het koninklijk ontbijt gaat
erin als koek. Ik voel me kiplekker.
De knopen op mijn buik zitten
me niet in de weg en dus daal ik, in een onbewaakt ogenblik, de twee trappen af
naar de voordeur. Aan de andere kant zit Karel op de stoep op me te wachten en
verraadt met zijn indringende geluid zijn aanwezigheid.
Mijn mens maakt met de
snelheid van het licht een einde aan ons, door de voordeur begrensde, rendez-vous.
Diep in mijn hart ben ik er wel blij om, want ik merk dat ik mezelf heb
overschat en zie er tegenop al die treden weer op te klimmen. Terwijl ze me
streng de les leest tilt Ferrara me voorzichtig naar boven, waar ik op de oude
handdoek als een blok in slaap val.
Van Karel kan ik voorlopig alleen maar
dromen.
Opmerking van Ferrara.
Voor jullie beterschapswensen beginnen te sturen, dit verhaal dateert uit 1981. Een beschermende kraag bleek
niet nodig en de hechtingen losten vanzelf op.