In de supermarkt, waar de luxe lekkernijen voor Kerst hoog
opgetast liggen en André Hazes zijn eenzame Kerst over het winkelend publiek
uitstort, scharrelt bij het vak met kaarsen een dame op leeftijd. Ze heeft
kunstmatige blosjes op haar wangen, de knalrode lipstick op haar lippen is
enigszins uitgelopen. Het grijze haar is met een ondoleertang in strakke golven
gemodelleerd. Om haar heen hangt een aureool van onzekerheid.
Ik zoek in het schap naast de kaarsen naar servetten en zie,
vanuit mijn ooghoek, dat de dame in kwestie mijn kant op komt. In een flits
realiseer ik me dat dit tijd gaat kosten, maar in tegenstelling tot de mensheid
om mij heen heb ik niet echt haast en besluit haar de aandacht te geven die ze
blijkbaar nodig heeft. Mevrouw vraagt advies over het rijke assortiment dat de
super in de aanbieding heeft. Kan ze beter Gouda Kaarsen nemen of de goedkopere
soort van eigen merk. Wat is het verschil in branduren en zullen de kaarsen van
eigen merk niet erg druipen? Ook wil ze graag weten hoe drijfkaarsjes werken en
hoe lang die branden. De werking kan ik uitleggen, maar van het aantal
branduren heb ik geen idee. Terwijl om ons heen met drukke bewegingen de
karretjes worden gevuld, vormen wij een eiland van rust voor het non-foodvak.
Ze vertelt dat ze thuis een Mariabeeldje heeft en dat de
kaarsen de komende weken naast het beeldje dienst moeten doen. Ze overweegt
drijfkaarsjes te kopen omdat ze bang is voor brandgevaar.
Samen nemen we de hele voorraad door en ik lees de waarschuwingen
op de verpakking voor.
Kaarsen niet te dicht bij elkaar zetten, niet op de tocht,
niet in de buurt van gordijnen plaatsen enz.
In gedachten zie ik Maria met een devoot gezicht in een
hemelsblauw gewaad omringd door flakkerende kaarsen op een ouderwetse schouw
staan. Stel je voor dat deze bezorgde dame ’s avonds vergeet de kaarsen uit te blazen.
Ik vraag haar of ze niet beter lampjes op batterijen kan
kopen. Het is wel zo veilig en ze gaan wat branduren betreft heel wat uren mee.
Alsof ik heiligschennis heb gepleegd kijkt ze mij met een
van afschuw vertrokken gezicht aan. ‘Kunstlicht mevrouw? Dat kan niet hoor,
Maria moet goed gestemd raken en dat krijg je met een kunstlichtje niet voor
elkaar.’
Het is haar duidelijk dat ik van de stemmingen van Maria
geen kaas heb gegeten, maar ze wil haar verhaal zo graag kwijt dat ze mijn
onverstand voor lief neemt.
‘Weet u, ik zit in de zorgen om een moeder die met haar kind
in Duitsland woont. Ze willen zonder enige vorm van juridisch proces het
jongetje bij zijn moeder vandaan halen. Het is toch schande dat ze in deze tijd
van het jaar met het kerstfeest in aantocht, moeder en kind willen scheiden.’
Ik zeg dat het me onwaarschijnlijk lijkt dat bij een
dergelijke handeling de rechtbank of jeugdzorg niets heeft te zeggen.
Die opmerking wordt me ook al niet in dank afgenomen. Ze
doet haar uiterste best mij van het onrecht te overtuigen en ik moet begrijpen
dat alleen Maria deze gerechtelijke dwaling met behulp van echte kaarsen kan
voorkomen. Langzaam vullen haar ogen zich met tranen. Ik heb met het dametje te
doen en onderdruk de neiging een arm om haar heen te slaan. In plaats daarvan
wens ik haar sterkte en zeg dat ik hoop op een goede afloop. Dat ik twijfels
heb over de kunsten van Maria laat ik wijselijk achterwege.
Terwijl ze haar ogen droog dept met een fijn geborduurd
zakdoekje, recht ze haar rug, bedankt mij voor de hulp en begint een nieuwe
speurtocht naar geschikte kaarsen.
Als ik thuis de boodschappen uitpak blijkt dat ik de
servetten ben vergeten.