Boven onze hoofden raast de storm onverminderd voort en valt de regen met bakken neer. Het licht neemt steeds meer af, het lijkt erop dat we de nacht hier moeten doorbrengen. Voor de zekerheid zetten we het krat met onze belangrijke spullen op een smalle richel in de rots. De uitbouw is helaas niet breed genoeg voor twee personen. Er rest ons niets dan zwijgend afwachten, door de herrie kunnen we elkaar toch niet verstaan. Henk gebaart dat we moeten gaan staan zodra er water binnenloopt. Het hoofd boven water houden is dan de eerste zorg. Na uren neemt het natuurgeweld af. Gelukkig wordt de angst dat zeewater de grot zal overspoelen niet bewaarheid. Eindelijk kunnen we lucht geven aan de spanning die we beiden hebben ervaren. Henk wrijft tranen uit zijn ogen, zijn schorre stem verraadt dat de emoties hoog zitten. ‘Allemachtig Frida, we hebben weer geluk gehad, ik dacht echt dat we dit keer zouden verdrinken.’ Zelf kan ik geen woord uitbrengen en raak in een hysterische huilbui. Voor de tweede keer tijdens ons verblijf op dit verrekte eiland slaat Henk een troostende arm om me heen. Hij laat me een tijdje begaan tot ik bijna in een hyperventilatie schiet, hij schudt me door elkaar. ‘Frida, stoppen nu voor we alsnog in je tranen verzuipen.’ Blijkbaar heeft Henk zijn humor al hervonden. Met hulp van zijn commanderende stem: ‘Adem in, adem uit.’ krijg ook ik mezelf weer onder controle.
Zodra de regen stopt en de eerste lichtstrepen langs de omgewaaide palmboom naar binnendringen zien we dat we de komende uren druk zijn om onszelf te bevrijden. Met het schopje uit de survival kit hakt Henk de bladeren en de takken uit de kruin. Ik sleep de kletsnatte losse stukken naar het midden van de schuilplek en probeer in de plastic container het druipende regenwater op te vangen. Af en toe pauzeren we en eten van de dadels die voor de ingang liggen. Als de opening groot genoeg is kruipen we uit ons hol en nemen verbijsterd de omgeving in ons op. Welke richting we ook kiezen een begaanbaar pad naar het strand is er niet. Allebei kijken we naar mijn blote voeten in de sandalen. Henk besluit alleen op pad te gaan om te zien hoe erg het is en als het echt niet anders kan moet ik het risico op glijpartijen en verwondingen maar nemen. Permanent in de bush blijven betekent dat eventuele redders ons nooit zullen vinden. Ik blijf achter, verzamel het fruit dat na de storm voor het oprapen ligt en schrijf over de verschrikkingen van de afgelopen nacht in mijn dagboek. Ik merk dat ik het verhaal niet in korte zinnen op papier krijg, daarbij slaat de spanning weer toe. Komen we hier ooit vandaan en wat als er weer zo’n storm losbarst. Misschien moeten we deze schuilplek ook als bivak inrichten. Als ik daar over nadenk realiseer ik me dat we waarschijnlijk helemaal opnieuw moeten beginnen. Droog hout voor een vuurtje zal er voorlopig niet zijn, hetzelfde geldt voor zeegras. Wie weet is er door de storm ook bruikbaar materiaal aangespoeld om ons beter in te richten en te beschermen. Ik hoop niet alleen op stof om onze hoofden te bedekken. Ik heb al een paar dagen vage buikpijn, aan de datum in het dagboek zie ik dat mijn hormonale huishouding niet heeft geleden onder de schipbreuk. Het zou fijn zijn als ik iets van stof tot kleine stroken zou kunnen knippen. Om de tijd nuttig te besteden houd ik de container onder een straaltje water dat van de rots loopt. Die manier van opvang werkt efficiënter dan het gepruts met natte bladeren.
Net als ik denk dat Henk wel erg lang wegblijft, duikt hij op. Onder zijn arm draagt hij een bundeltje kleding, aan de survival kit hangt een paar wit uitgeslagen stevige werkschoenen die ik voor het laatst aan de voeten van Davy Brown zag, de kok van het onderzoeksschip. Henk ziet asgrauw, hij zakt neer op de palmboom voor de grot. ‘Die onrustige zwerm vogels gisteren boven zee, dat was geen walvis. Ik zal je de gruwelijke details besparen. Ik heb Davy aan de rand van de bush begraven, zijn graf heb ik met een kruis van schelpen gemarkeerd.’ Henk steunt met zijn hoofd op zijn opgetrokken knieën. Er glijdt een traan langs zijn neus. Het is mijn beurt om te troosten.