Het is zomer 1955. Ik ben zes jaar en ga voor het eerst op schoolreis.
Met de eerste klas van de lagere school in de bus naar het Noorder Dierenpark in Emmen.
Ik begin die dag met de pest in omdat ik de rugzak van mijn broer mee moet.
Het is een cadeau van mijn grootouders dat ze hebben meegebracht van hun reis naar Zwitserland. Een origineel exemplaar van beigekleurige canvas met leren riempjes en metalen gespen om alles goed te kunnen afsluiten.
Juist het uiterlijk maakt mij opstandig. Ik ben als de dood dat ik word gepest met dat malle ding, dat ik dan ook niet op mijn rug draag. Ik kijk wel uit en hou het geval zo laag mogelijk bij de grond.
Veel liever had ik mijn kleffe witte broodjes met gebakken ei in een kleurig, glad kartonnen koffertje gestopt, zoals veel van mijn klasgenoten hebben.
Maar mijn moeder is onverbiddelijk. Waarom zo’n koffertje kopen als een prachtige rugzak voorhanden is. Het geld groeit haar niet op de rug.
Mijn opa vindt dat hij de schoolreis wel wat luister bij kan zetten en zorgt voor het zakgeld. Ik krijg een gulden om die dag iets lekkers van te kopen. In die tijd, voor een zesjarige, een heel kapitaal. Zorgvuldig berg ik de buit in mijn knipbeursje. Dan zegt opa, die in de aardappelhandel zit. “Ik wil er wel iets van terugzien.” Ik versta het verkeerd en schuif hem de gulden weer toe en zeg: “Hou hem dan maar”. Opa zegt dat hij bedoelt dat ik niet alle geld in een keer hoef uit te geven.
Op deze manier probeert de handelaar in hem de kleindochter spaarzaamheid bij te brengen.
Van die dag herinner ik mij vooral dat het in de dierentuin voor de kiosk, waar ze snoep en ijs verkopen, enorm druk is. De lange rij duwende en trekkende kinderen schrikt mij af. Bovendien staat klasgenootje Jan, de treiterkop die het vaak op mij heeft voorzien, ook in die rij. Mijn opa heeft mij met zijn geldelijke bijdrage extra plezier willen bezorgen, maar onder de pesterige blik van Jan wordt de gulden een loden last. Toch sluit ik aan. Ik wil mijn gulle opa niet teleurstellen en vertellen wat ik heb gekocht als ik de rest van het geld terug ga brengen. Hij wil er immers iets van terug zien.
Wanneer ik eindelijk aan de beurt ben, staat Jan nog naast de kiosk en ik weet niets anders te bedenken dan een rolletje drop van 10 cent te kopen.
Eind van de dag stap ik uit de bus met een half rolletje drop in een voorvakje van de vreselijke rugzak en nog 90 cent in mijn knipbeursje.
Een dag na het schoolreisje stap ik op mijn fiets om opa zijn geld te brengen.
Hij is verbaasd dat ik zo weinig heb uitgegeven. Ik vertel hem van de lange rij. Over Jan zeg ik niets.
Mijn, door angst veroorzaakte zuinigheid, wordt rijkelijk beloond. Ik mag het kapitaaltje houden.
Gek genoeg kan ik me niet herinneren wat ik met dat geld gedaan heb.
Drop heb ik er vast niet van gekocht.
foto internet