Zijn moeder zal de
komst van de vervangende haas alleen maar toejuichen. Die vindt alles leuk wat
zijn vader verzint. Ze heeft Tim ooit eens verteld dat ze verliefd werd op zijn
vader omdat hij voor elk probleem wel een oplossing vond. Voorlopig kan
zoonlief haar gevoel niet delen.
Als Tim ’s avonds in
bed ligt blaast zijn vader met behulp van de elektrische pomp van het luchtbed
leven in de haas, met de sproeikop van de tuinslang maakt hij het bruine
gevaarte nat. De nachtvorst doet de rest. De volgende morgen weet zijn zoon niet
wat hij ziet. Een enorme Kersthaas staat onder een prachtige witte laag rijp de
tuin op te vullen.
In de garage heeft Sander
blokken piepschuim en lege dozen in allerlei kleuren geverfd. Op verzoek van
zijn vader veegt Tim, die nog steeds de pest in heeft, met de sneeuwschuiver de
ruimte om de haas mooi glad. Zijn vader drapeert de dozen en het piepschuim,
alsof het cadeautjes zijn, om de haas heen. Tot slot hangt hij kerstverlichting
tussen de opstaande oren.
Tim’s zorgen over zijn plaaggeest nemen toe. Het
ontbreekt er nog maar aan dat de lichtjes knipperen. Opnieuw zeurt de
treiterende stem van Klaas in zijn oren. ‘He, Tim was alleen de haas niet
genoeg, moest je vader nog meer de clown uithangen. Wat een circusattractie
staat er in jullie tuin, de hele buurt praat erover.’
Later, tijdens het
ontbijt roert Tim lusteloos in zijn bord havermout. Hij ziet er als een berg
tegenop om naar school te gaan.
Zijn moeder ziet het
aan. Het liefst zou ze die pestkop van Terpstra de wacht aanzeggen, maar dat
probleem moet Tim toch echt zelf oplossen.
‘Klaas is
waarschijnlijk jaloers dat jij zo’n leuke vader hebt. Jij zou daar ook wel
blijer mee mogen zijn. Hij moet het doen met een saaie vader die er in zijn boekhouderspak
uitziet als een grijze muis. Laat die knul kletsen.
Zwijgen en er bovenstaan.’
Ze besluit het
opvoedkundige praatje met de geheimzinnige belofte dat hij aan het eind van de
schooldag zorgeloos aan de kerstvakantie kan beginnen.
Onderweg naar school
overdenkt Tim het gesprek met zijn moeder.
Ze heeft makkelijk
praten, zij staat straks niet voor joker op het schoolplein.
Dat je in zijn klas
beter af bent met een saaie vader, willen zijn ouders niet begrijpen.
Tim denkt terug aan het
schoolkamp waar ook zijn vader als begeleider mee was en hoe hij uit een grijze
vuilniszak een poncho voor hem knipte omdat hij zijn regenkleding was vergeten.
Klaas was er als de kippen bij om te vragen of zijn vader hem bij de vuilnis
had gevonden.
De herinnering maakt
hem zo kwaad dat hij in zijn broekzak zijn handen tot vuisten balt. Strijdlustig
neemt hij zich voor zich niet nog eens te laten vernederen. Met opgeheven hoofd
loopt hij het schoolplein op waar Klaas hem, omringd door zijn vaste
vriendenclubje, al staat op te wachten.
‘Tim zijn vader is een
dwaas, Tim zijn vader is een … Voor Klaas het woord haas kan scanderen raakt de
rechter vuist van Tim hem vol op zijn linker oog. Verbaasd door de uithaal
tuimelt hij in de sneeuw.
Tim duikt bovenop hem.
Hij hoort zijn moeder zeggen. ‘Je moet er boven staan.’ Er bovenop zitten, zal
ze bedoelen.
Voor zijn vuist het
gezicht van Klaas opnieuw raakt wordt hij door meester Bolks, die pleinwacht
heeft, aan zijn rechter arm omhoog gesleurd. Vervolgens helpt de man Tim’s
slachtoffer overeind. ‘Meekomen allebei.’
Terwijl meester Bolks
tussen de vijanden in richting schooldeur beent, vraagt hij zich af wat hij
heeft gemist.
Hoe kan het dat de
meest verlegen leerling de brutaalste klasgenoot neerhaalt? Blijkbaar is Klaas niet
de enige die een lesje moet leren.
Als Tim die middag uit
school komt, schitteren hem de twinkelende oren van de Kersthaas tegemoet. Hij
vindt zijn ouders druk doende in de garage.
Zijn vader roert in een
ketel glühwein en op een andere gaspit staat een enorme pan chocolademelk
langzaam op te warmen. Op de werkbank ontwaart Tim een doos kartonnen bekers en
een aantal strooibussen poedersuiker.
Zijn moeder vult emmers
met oliebollen die ze die dag heeft gebakken.
‘Je moeder heeft voor
vanavond een buurtfeest georganiseerd, ze heeft iedereen uitgenodigd om bij de
Kersthaas de vakantie in te luiden.
Sjoerd Koedijk van de Klaroen komt ook. Hij
maakt foto’s en gaat een verslag voor de krant schrijven.’
Tim begrijpt dat dit
het feest is dat zijn zorgen moet laten verdwijnen. Niets is minder waar. Om de
vrolijke stemming van zijn ouders niet te bederven zet hij het plan, om de
vechtpartij van die ochtend op te biechten, uit zijn hoofd.
Ze zijn zo druk met de
voorbereidingen dat het ze niet opvalt dat Tim zich op zijn kamer terugtrekt.
Daar ziet hij aan het eind van de middag de eerste gast komen. Gehuld in een dikke
grijze jas en met een weinig flatteuze pet op zijn hoofd, komt een nors
kijkende Terpstra het tuinpad op. Hij duwt zijn onwillige zoon voor zich uit.
Tim hoort de voordeur
opengaan. ‘Welkom in huize de Kleine wat gezellig dat jullie er zijn’, zegt
zijn vader.
‘De vader van Klaas
antwoordt ijzig. ‘Jij denkt zeker, ik doe alsof mijn neus bloedt, mijn naam is
haas, zo gemakkelijk kom je er niet van af, de Kleine…
Vader Terpstra wijst op
het gezicht van zijn gehavende zoon. ‘Over dit gevalletje gezichtsverlies dat
jouw zoon heeft aangericht wil ik eerst zijn excuses, eerder kom ik hier geen
feest vieren.’
Sander de Kleine kan
een grijns van trots nauwelijks onderdrukken.
‘Tim moet een reden
hebben gehad om je zoon zo toe te takelen. Vertel eens Klaas wat is er precies
gebeurd?’
‘Dat kan een blind paard zien, jouw zoon heeft
hem een blauw oog gemept. Dat is er gebeurd.’
Sjoerd Koedijk, de
verslaggever van de Klaroen ruikt een vette roddel voor zijn krantje. Hij ziet
de kop al voor zich.
“Kerstborrel begint met
burenruzie.”
‘Sjoerd als je foto’s
wilt maken, de haas en alle lekkernijen staan achter in de tuin.’ Met een vriendelijke
glimlach voorkomt Tim’s moeder dat het mishandelde slachtoffer en de ruziënde
vaders de volgende dag de voorpagina van de Klaroen sieren.
Nadat Koedijk wat
bedremmeld is weggelopen dirigeert ze het trio, dat nog steeds op de stoep staat, naar de keuken.
Voor Klaas staat er een
beker warme chocolademelk en twee oliebollen met extra suiker klaar. ‘Hier knul
eet dat maar eens lekker op.’
‘Sander haal jij Tim
van zijn kamer dan kan voor het feest losbarst hier in de keuken de vrede
worden getekend.’
Vriendelijk knikt ze de
vader van Klaas toe, maar deze is steevast van plan zijn gram te halen.
‘Als jij denkt dit
probleem met een paar oliebollen op te lossen, heb je het mis. Als die zoon van
jullie geen goeie verklaring heeft en geen excuses maakt voor zijn gedrag, doe
ik aangifte van mishandeling.’
‘Kom op Terpstra, je
gaat van een handgemeen tussen twee jongetjes toch geen politiezaak maken. Ik ben
het met Sander eens dat Tim vast een goede reden heeft gehad, Klaas een blauw
oog te slaan.’
‘Ja, lekker samen onder
een hoedje, daar staat de familie de Kleine om bekend. Jullie willen dus
beweren dat de schuld bij Klaas ligt, dat geloof ik niet. Mijn kind is de
vredelievendheid zelf. Of niet soms?’
Vader Terpstra kijkt
zijn zoon doordringend aan. De rood aangelopen Klaas zwijgt in alle talen.
Op zijn kamer gooit Tim
alle opgelopen frustraties, waar zijn vader geen weet van heeft, eruit.
Daaronder zijn ook de uitlatingen die tijdens het zomerkamp zijn gedaan. Tot
slot biecht hij de vechtpartij op, inclusief het rijmpje dat hij Klaas niet
liet afmaken.
Opnieuw raakt Sander de
Kleine vervuld van trots. De zoon die niet echt blij met zijn vader is, heeft het
toch voor hem opgenomen.
Hij knuffelt zijn kind.
‘Goed gedaan, man. Ik ben trots op je, maar dat gaan we ze beneden niet
vertellen. Wij gaan nu naar de keuken en daar vertel je waarom je zo boos bent
geworden. Dat rijmpje laat je Klaas zelf opzeggen.
Ik wil het gezicht van zijn
vader dan wel eens zien. Ha, ha, mijn naam is haas, zat die even dicht bij de
waarheid.’
‘Toe nou Pap, kun je
niet één keer serieus zijn. Meneer Terpstra is hartstikke kwaad op me. Ik heb
heus wel gehoord dat ik mijn excuses moet maken.’
‘Welnee joh, jij hoeft
helemaal geen excuses te maken, dat gaat Klaas doen. Wedden om een oliebol?’
Schoorvoetend daalt Tim
in het kielzog van zijn vader de trap af.
In de keuken staat zijn
moeder nog steeds met vader Terpstra in discussie terwijl Klaas met gloeiende
wangen voor zijn oliebollen zit, de chocolademelk heeft hij koud laten worden.
Alsof hij een optreden
gaat geven zet Sander, Tim in het midden van de keuken. Zijn vrouw geeft hij
een seintje zich er even niet mee te bemoeien.
‘Meneer Terpstra en
Klaas ik vraag jullie aandachtig te luisteren naar wat mijn zoon heeft te
vertellen. Hij zal aan het eind van zijn verhaal Klaas vragen een rijmpje op te
zeggen, daarna Terpstra mag je aangifte doen als je dat dan nog wilt, maar ik
wil eventuele excuses van Klaas ook graag in ontvangst nemen’.
Tim’s moeder geeft zijn vader een knipoog en steekt stiekem haar duim op.
Ze vindt dat hij de situatie goed aanpakt.
Tim ziet het gebeuren. Zij zal eens niet trots zijn op haar man. Klaas durft
nauwelijks op te kijken en meneer Terpstra kijkt verbaasd van de een naar de
ander.
Tim haalt diep adem en
met een bibberende stem begint hij de pesterijen van Klaas en zijn maatjes op
te sommen. Het varieert van het pikken van knikkers tot het uitsluiten bij de
spelletjes op het schoolplein en dat Klaas veelvuldig Sander de Kleine een
halve gare noemt. Als hij bij de vuilniszak als poncho komt neemt zijn stem in
kracht toe. Opnieuw voelt hij woede in zich opkomen, het maakt dat hij Klaas
recht in zijn in gehavende gezicht durft te kijken als hij bij de slotfase komt
die aanleiding gaf tot de vechtpartij.
Op dat punt legt Sander
hem het zwijgen op. ‘Aan jou Klaas om het rijmpje op te zeggen en nu helemaal.’
Angstig kijkt Klaas
naar zijn vader, die tot dan toe zwijgend heeft staan luisteren. Deze knikt dat
hij de gifbeker moet leegdrinken.
Huilend herhaalt Klaas
de woorden: ‘Tim zijn vader is een dwaas, Tim zijn vader is een haas.’
Voor iedereen er erg in
heeft geeft Terpstra zijn zoon een fikse draai om zijn oren. Tim’s vader grijpt in. ‘Stoppen
Terpstra, maak het drama niet groter dan het is, je weet nu wat er echt is
gebeurd, als er één excuses moet maken is het je zoon, zowel aan Tim als aan
mij. Sorry, zeggen mag ook.’
Terpstra neemt zijn huilende
zoon bij de arm en laat hem Tim’s hand schudden, daarna is Sander aan de beurt.
Deze aait Klaas over zijn hoofd.
‘Zo zand erover, echte
vrienden hoeven de jongens niet te worden, maar ik ga er vanuit dat de
pesterijen hiermee tot het verleden behoren. Blijven jullie voor het buurtfeest
of gaan jullie liever naar huis?’
Klaas gaat liever naar
huis, zijn vader wil met Tim’s ouders graag een bekertje glühwein drinken om
vrede te sluiten.
Buiten hebben zich rond
de Kersthaas heel wat buurtgenoten verzameld, de schalen oliebollen gaan van
hand tot hand en er wordt geklonken op een vredig kerstfeest.
Sjoerd Koedijk doet de
volgende dag verslag van een sfeervol buurtfeest, inclusief foto.
Sander de Kleine heeft,
zonder dat Terpstra het in de gaten heeft, de opstelling voor de Kersthaas zo
gemanipuleerd dat hij en vader Terpstra samen proostend de voorpagina halen.