Mijn geweten drenst: ‘’Zeur
niet mens, aan de slag. Wie niet schrijft zal niet lezen, zo simpel is het.’
Ondertussen lonkt: “De
Trooster” van Esther Gerritsen naar me.
‘Kom op neem mij ter hand en lees hoe het mij vergaat. Je was nog maar net aan mij begonnen en toch al nieuwsgierig geworden naar mijn belevenissen.’
‘Kom op neem mij ter hand en lees hoe het mij vergaat. Je was nog maar net aan mij begonnen en toch al nieuwsgierig geworden naar mijn belevenissen.’
Dat is de kracht van een schrijver,
als je in hoofdstuk één door middel van prachtige zinnen het boek wordt
ingetrokken is de schrijver geslaagd in de missie. Gek genoeg waren het niet de
allereerste zinnen die boeiden. Schrijftechnisch niets op aan te merken. Lange
zinnen afgewisseld met korte. Nee, het was de zin onderaan de eerste bladzij:
‘Op dat moment kwam Henry Loman binnen. Zo op het eerste gezicht een vermoeide
man van middelbare leeftijd met overgewicht.’
Net genoeg detail om mij
nieuwsgierig te maken. Wie is die man, wat is er met hem en waarom zoekt hij
zij heil in een klooster? Moet ik dat boek niet eerst lezen voor ik er in een
column iets over kan zeggen? Vanwege de deadline gaat dat niet lukken.
Ik kan goed mijn huishouden
laten voor wat het is, maar er zijn leukere verplichtingen, die zowel het lezen
als het schrijven in de weg staan.
Wat te denken van een lezing
over de Librije van Alkmaar die in de 16e eeuw is aangelegd. In de
leerzame uren waarin ik word onderwezen over de Latijnse school, oude
handschriften en boeken die, om diefstal tegen te gaan, aan de ketting zijn
gelegd, is de gedachte aan een column schrijven ver weg.
Tot de spreker zegt. ‘Een
schrijver probeert de tekst zo mooi mogelijk en begrijpelijk op te schrijven.’
Ik duik in mijn tas, haal pen
en notitieboekje tevoorschijn en noteer de zin.
Je weet maar nooit of dat
citaat nog van pas kan komen.
Dan volgt Open Monumentendag,
het jaarlijks gebeuren waarbij echtgenoot en ik nooit verzuimen. We zien met
heerlijk nazomerweer prachtige tuinen, oude interieurs met keurig gerangschikte
boeken waarvan ik de ruggen probeer te lezen. Om zo weinig mogelijk te missen
spoeden we ons op de fiets van het ene naar het andere boeiende monument. Zelfs
in een omgeving als de Remonstrantse kerk waar het zand op de vloer onder
tientallen schoenen kunstige patronen aanneemt en waar vanaf de kansel de
opengeslagen Bijbel me belerend toegrijnst, lukt het me om het
kritselkratselende geweten onder mijn schedeldak te negeren.
Aan het eind van de
fantastische dag zittend op een terras met een fonkelende rode wijn voor mijn
neus realiseer ik me dat het vandaag met die column niks meer gaat worden.
Eén troost, “De Trooster”
ligt geduldig naast mijn bed te wachten.
Even word ik wakker van de plof waarmee het boek op de grond valt.
Even word ik wakker van de plof waarmee het boek op de grond valt.








