Opdracht 2:
We krijgen een foto van ineengestrengelde oude handen.
De vraag is wat de afbeelding teweegbrengt.
Is het een herinnering of misschien verlangen? Ik reis terug naar een leerzame periode in mijn loopbaan als verpleegkundige en schrijf onderstaand verhaal.
De namen van de bewoners zijn gefingeerd.
En nu maar hopen dat jullie het niet te lang vinden.
Commentaar van de schrijfcoach: Wat een mooi verhaal, ik zie het echtpaar voor me.
Jammer dat de beleving van je eigen indrukken buiten beeld blijft.
foto internet
Koude Kermis
Het is 1977 en ik loop stage in een
verpleeghuis voor psychogeriatrie.
De stage is een verplicht onderdeel van de
opleiding tot psychiatrisch verpleegkundige. Hoewel ik op een gesloten afdeling
ben geplaatst, gaat er een wereld voor me open.
Binnen de verpleging in het
‘gewone’ ziekenhuis heb ik tien jaar ervaring, maar nog nooit heb ik zoveel
bejaarde verwarde mensen bij elkaar gezien. De afdeling wordt bevolkt door 25
vrouwen en mannen die allemaal, in een vergevorderd stadium, de ziekte van
Alzheimer hebben. Deze mensen hebben bij alle dagelijkse handelingen hulp nodig
en zouden op een open afdeling niet meer kunnen functioneren. Een aantal van
hen heeft last van bewegingsdrang en is voortdurend aan de wandel. Ze zijn het
spoor dermate bijster dat ze buiten de afdeling meteen zouden verdwalen.
De unit waar ik werk is in een
cirkel gebouwd. Aan weerskanten van de gang liggen de slaapkamers, de huiskamer
en de keuken. In het midden zijn de badkamer, de spoelkeuken en een ruimte voor
linnengoed gesitueerd. Deze bouw zorgt ervoor dat er visueel aan de gang geen
einde is. Voor bewoners met bewegingsdrang lijkt
dat veel vrijheid te geven.
Let wel, ik praat hier over de jaren
70 van de vorige eeuw. Sindsdien is er wat betreft inzichten over zorg en
welzijn veel veranderd. Verpleeghuizen met vier verdiepingen worden niet meer
gebouwd. Tegenwoordig bestaan dit soort huizen uit laagbouw met prachtige
tuinen en hebben bewoners, zelfs op een gesloten afdeling, meer
bewegingsvrijheid.
Onder de bewoners waar ik mee te
maken heb, bevindt zich het echtpaar Breedveld.
Het lot heeft beslist dat ze tegelijkertijd
de ziekte van Alzheimer krijgen en het doorlopen van verschillende stadia
verloopt parallel. Dat is een geluk bij een ongeluk, want het betekent dat dit
stel, dat zeer aan elkaar verknocht is, samen kan blijven. De familie Breedveld
heeft een eigen slaapkamer waarin de eenpersoonsbedden knus tegen elkaar zijn
geschoven.
Hij is een grote rijzige man met
blauwe pretoogjes die het vrouwelijk schoon nog steeds op waarde weten te
schatten. Je ziet meneer Breedveld nooit zonder stropdas en vest.
Hij houdt van stijl en probeert dat
op gezette tijden nog in ere te houden. Hij weet met flair de huiskamerdeur
voor je open te houden. Dames gaan voor, is stevig ingebakken.
Mevrouw Breedveld is een fragiele
vrouw met rode appelwangetjes. Haar kleding oogt netjes, maar de jurken
slobberen om het magere lijfje. Haar permanentje blijft nooit lang in vorm.
Het
echtpaar is onafscheidelijk. Samen wandelen ze, hand in hand, een groot deel
van de dag hun rondjes in de gang. Waar hij gaat, gaat zij ook. Je zou kunnen
zeggen dat ze haar man scherp in de gaten houdt. Als zijn ogen de vrouwelijke
verzorgenden teveel volgen wil zij, in een helder moment, nog wel eens snibbig
uit de hoek komen. ‘Pieter, kijk al het moois er niet af.’ Waarop Pieter haar
even stevig knuffelt, zodat ze weet dat hij haar trouw is.
Tijdens de maaltijden wordt het
verschil in gewoontes tussen de bewoners goed zichtbaar.
Waar meneer Dijkstra, in zijn pak
dat aan het eind van de dag grijs ziet van de sigarenas, zijn elleboog op tafel
legt en zijn warme hap naar binnenschuift, vouwt het echtpaar de servetten
keurig op hun schoot uit. Mes en vork worden volgens de regels gehanteerd.
Men geniet zichtbaar van het eten. Aan de overkant van de tafel doet mevrouw
van Klaveren hetzelfde, maar wegens een niet passend gebit, smult zij smakkend
van haar geprakte maaltje. Haar overbuurvrouw kan het niet waarderen en laat
haar afkeuring blijken.
‘Mens waar zijn je tafelmanieren, het is niet om aan te
horen.’ Mevrouw van Klaveren moet het wel vaker ontgelden. Zij is zo mogelijk
nog kleiner dan mevrouw Breedveld. Zij heeft de gewoonte staande weg te dromen
terwijl ze zich aan de steunbalk in de gang vasthoudt.
Zo vormt ze voor de wandelaars een
obstakel waar ze omheen moeten laveren.
Mevrouw Breedveld doet menig poging dwars
door het mensje heen te lopen: ‘Aan de kant je staat in de weg.’ Mevrouw van
Klaveren heeft geen idee wat er van haar wordt verlangd en blijft op haar plek.
Onder leiding van Pieter’s zachte hand lost dit euvel zich meestal vanzelf op.
Overdag bestaan de werkzaamheden uit
dagelijkse verzorging. We voorzien de bewoners van hun natje en droogje. Zorgen
voor toiletgang met alle bijbehorende werkzaamheden, zoals verwisselen van
incontinentiemateriaal en soms is een wasbeurt nodig.
We lezen gezamenlijk de krant en
assisteren de collega’s van de activiteitenbegeleiding bij hun werkzaamheden.
In deze setting heb ik opnieuw leren breien en haken. De liedjes uit de bundel
‘Kun je nog zingen, zing dan mee’ zijn me gelukkig niet vreemd en sommige
psalmen en gezangen weet ik ook nog uit mijn geheugen op te diepen.
In een drukke avonddienst heb je
voor dergelijke jolijt geen tijd. Twee verzorgenden moeten 25 bewoners van eten
en drinken voorzien en er tevens voor zorgen dat iedereen, liefst schoon, in
bed ligt voor de nachtdienst om 22.30 uur de verantwoording overneemt.
Het is vermoeiend en tijdrovend
werk. Veel bewoners laten zich gedwee de nodige verzorging aanleunen, maar er
zijn er ook die weerstand bieden en dat vraagt takt en overredingskracht. Soms
besluit je jouw zin niet door te drijven en verplaats je de handelingen naar
iemand anders. Meestal waait de bui over en is de bewoner in kwestie vergeten
dat hij of zij nog niet naar bed wil.
Tijdens zo’n avonddienst word ik op
de gang door een man aangesproken.
‘Zuster, mijn vader ziet er uit
alsof hij van de kermis komt.’ Ik vind het vreemd op dit tijdstip nog een
bezoeker aan te treffen, maar blijkbaar heeft mijn collega de man binnengelaten.
De vader blijkt meneer Breedveld te
zijn die al minstens een uur onder de wol ligt in zijn blauw gestreepte pyjama
met zijn vrouw naast zich in een roze flanellen nachthemd.
Ik begrijp er niets van en loop met
de zoon naar de kamer van zijn ouders.
Meneer Breedveld heeft kans gezien
zijn kleding uit de kast te vissen en heeft zich aangekleed. Het overhemd is onregelmatig
dichtgeknoopt, een rode stropdas hangt half om zijn nek en zijn gulp staat op
een kiertje. Hij slaapt en snurkt er flink op los.
Voor een zoon moet dit een
confronterende aanblik zijn. Het ziet er uit alsof zijn keurige vader met een
flinke slok op zijn roes ligt uit te slapen. Inderdaad zo van de kermis …
Ik doe een poging de situatie uit te
leggen, maar heb al snel in de gaten dat ik niet word geloofd. ‘U heeft mijn
vader aan zijn lot overgelaten. Hij kan niet voor zichzelf zorgen juist daarom
hebben we hem hier gebracht.’
Dat zijn moeder keurig verzorgd in
bed ligt ontgaat de man blijkbaar. Ik toon begrip voor het gevoel van de zoon,
maar het onheil is geschied. Ongenoegen en een afwerende houding zijn mijn
deel. Als ik de afdelingsdeur voor hem ontsluit zegt hij op afgemeten toon. ‘U
hoort hier nog van, ik ga een klacht indienen bij uw afdelingshoofd.’
Mijn collega kijkt niet op van deze
dreiging. ‘Echt iets voor Nico Breedveld. Als hij al op bezoek komt is het op
een onzalig tijdstip en steevast klagen. Trek het je niet aan, zijn zuster
roept hem wel tot de orde. Die begrijpt de gang van zaken rond haar ouders
beter.’
Samen hijsen we de mopperende
kermisklant opnieuw in zijn pyjama. Hij sliep net zo lekker en nu maken wij hem
wakker, stelletje slavendrijvers. Zijn vrouw slaapt door alle tumult heen. Wij
maken onze werkzaamheden af en ik schrijf het ongenoegen van zoon Breedveld zo
nauwkeurig mogelijk in het rapport voor het geval hij toch met een klacht komt.
Ook de verzorgende in de nachtdienst
denkt dat het zo’n vaart niet zal lopen.
Blijkbaar zijn mijn collega’s dit
soort situaties gewend, ze schuiven mijn zorgen over een eventuele slechte
beoordeling met gemak van tafel.
Eenmaal thuis, zak ik met een
glaasje wijn nog even onderuit en spoel daarna mijn zorgen door het doucheputje.
Als ik de volgende dag mijn dienst
begin is meneer Breedveld weer helemaal het heertje en uiterst voorkomend. Zijn
vrouw pikt het niet. ‘Stel je niet aan Pieter, zij is van de bediening, dat zie
je toch.’ Hij geeft me een knipoog terwijl hij
zijn vrouw bij de hand pakt en met haar uit wandelen gaat. Van zoon Nico hebben
we nooit meer iets gehoord.