In verband met modereren kan het zijn dat het even duurt voor je reactie zichtbaar is.

Posts tonen met het label gezondheidszorg. Alle posts tonen
Posts tonen met het label gezondheidszorg. Alle posts tonen

vrijdag, juli 29, 2022

Booster

Voor ons doen moeten we vroeg opstaan, ons wacht namelijk om 9.00 uur de Corona Boosterprik. We hebben de afspraak elektronisch gemaakt en zijn beiden op verschillende dagen en tijdstippen door een metalen stem telefonisch herinnerd. We fietsen naar de priklocatie aan de andere kant van de stad. In de verte zien we al een verkeersregelaar in oranje hesje instructies geven aan de mensen die per auto komen.
Voor de ingang staat een korte rij die snel is weggewerkt. Links van de deur staat een mevrouw van de beveiliging met een doos mondkapjes voor diegene die de instructies niet goed heeft gelezen. Tegenover haar twee in het wit geklede medewerksters achter een desk die ID-kaart en ingevuld formulier controleren. Nee, de foto van de streepjescode hoeft ze niet te zien. Het stond toch echt in de instructies dat je die, net als het mondkapje, mee moest nemen.
Daarna volgt een lang, dubbel afgezet stuk waar je je moet opstellen. Ik hoef niet langs de twee dokters die aan het eind van de corridor zitten en kan zo doorlopen. Echtgenoot is minder gelukkig en sluit aan in een rij. Hij krijgt een aantekening op zijn formulier.
Na de artsen volgt een desk met vijf dames in gele hesjes achter computers, hun taak is het controleren van identiteitspapieren en geboortedata. Als alles blijkt te kloppen worden we door twee jonge vrouwen in groene poloshirts naar de prikruimte verwezen.
In een aantal rijen staan stoelen opgesteld. Twee priksters in donkerblauwe kleding rijden op hun bureaustoeltjes langs de slachtoffers die met één opgestroopte mouw klaarzitten, ze slepen een roltafeltje met alle benodigde attributen met zich mee. Gezien de aantekening op zijn formulier krijgt manlief de opdracht het prikgaatje extra aan te drukken. Hij krijgt ook een aparte pleister als een soort drukverbandje.
Voort gaat het naar de wachtruimte maar niet voordat we twee dames in paarse truien zijn gepasseerd waarvan er een laat weten dat we een plaatsje mogen zoeken, tien minuten moeten wachten en zodra we zitten mag het mondkapje af. Tijdens die wachttijd voegen zich twee, in groen pak gestoken, ambulancemedewerkers bij de dames voor een gezellig kletspraatje.
Als de tien minuten voorbij zijn verlaten we via een andere route het pand waar een manlijke beveiliger ons nog een prettige dag wenst.
Tot slot passeren we buiten een man in bruin uniform met de opdruk locatiemanager, hij is druk met zijn telefoon. De verkeersregelaar staat nog steeds op zijn post. Hij heeft geluk dat het mooi weer is.
Een dag later rest alleen een licht beurse plek op de bovenarm en daaraan hebben – als u meegeteld heeft – meer dan twintig mensen meegewerkt.

Compliment voor deze samenbundeling van krachten.

vrijdag, februari 11, 2022

Complicatiespreekuur

‘Goedemorgen meneer van Dijk. Hoe gaat het met u?’

‘Ach, dokter ik mag niet mopperen. De linker band van mijn rolstoel is lek en de remmen zijn gebroken, maar gelukkig was de buurman zo aardig mij naar uw praktijk te rijden. Als ik op de lange afstand ga, gebruik ik de booster. Gisteren begaf de accu het terwijl ik midden op het fietspad in de duinen stond. Toen ik de servicedienst wilde bellen bleek dat ik had vergeten mijn telefoon op te laden. Uiteindelijk heeft de boswachter er voor gezorgd dat de servicedienst me vlot kwam trekken. Het werd al aardig donker en tot overmaat van ramp begon het te regenen. Aangezien mijn laptop stuk is had ik niet op buienradar kunnen kijken en had ik de gok gewaagd geen regenkleding mee te nemen. Doorweekt kwam ik thuis en toen ik een warme douche wilde nemen struikelde ik over de rand van de douchebak en stootte mijn grote teen. Ik zal u de woorden besparen die uit mijn mond kwamen. Vervolgens bleef de traplift halverwege de trap hangen, maar gelukkig had ik mijn alarmmedaillon om en dus verscheen de buurman om me uit die benarde positie te redden. Hij was zo vriendelijk mij in de relaxstoel te parkeren, de afstandsbediening van de TV binnen handbereik te leggen en omdat hij er toch was heeft hij ook maar even koffie gezet.  Al met al was het best een vermoeiende dag geweest en toen de wijkzuster kwam om mijn elastische kousen uit te trekken lag ik compleet voor pampus met de TV op volle sterkte want de batterijen van mijn gehoorapparaat waren leeg.’ 

'Lastig al die techniek, maar wat kan ik voor u doen meneer van Dijk?’

‘Naar die blauwe teen kijken die ik heb gestoten, dat vertelde ik toch?’

Dit is een oud verhaal uit januari 2016 en staat in mijn archief als een WE-300 met de titel Struikelblok. WE-300 was destijds een schrijfuitdaging waarbij je een woord kreeg aangereikt waarover je in 300 woorden moest schrijven zonder het woord te noemen. Toen was het woord gezondheid. Zes jaar geleden had ik geen idee dat het verhaal ongewijzigd vandaag als schrijfveer dienst kan doen. 

vrijdag, januari 29, 2021

Sonnet

Naast dat ik Chris Faber in goeie banen probeer te leiden sleutel ik ook aan een tweede boek van mijn blog.  
Zodoende kwam uit mijn werkzame leven Sonnet voorbij. 
Zij gaat zeker een pagina krijgen.

Voor de zoveelste keer heeft het frêle lijfje van mevrouw Voorst een wervelverzakking doorstaan. De orthopeed meet haar een onmogelijk korset aan en snijdt daarmee voor lange tijd de weg naar zelfstandig wonen in haar kamer af.
Mevrouw Voorst belandt op de ziekenafdeling van het verzorgingshuis.
De pijnstillers die ze krijgt helpen niet voldoende en er wordt naar een zwaarder middel gegrepen. Morfinepleister lijkt de oplossing, maar voor haar zwakke gestel blijkt dat al snel teveel van het goede. Ze wordt nog vrolijker dan ze van zichzelf al is en op een dag maakt ze melding van een poes die bij haar bed zit.
Ik vraag mevrouw: ‘Zag u die poes zonet?’ Haar antwoord is verrassend. ‘Oh heet ze Sonnet, wat een leuke naam voor een poes. Het is een mooi dier.’
Ik doe geen poging de dwaling van haar geest te verwijderen want ze vindt het aangenaam gezelschap. Wel vraag ik de huisarts, voor Sonnet een angstaanjagende zwarte panter wordt, de dosering van de medicijnen aan te passen. 

Mocht ik ooit een poes aanschaffen dan weet ik al de naam van het beest.

zondag, april 12, 2020

Coronataal

De laatste weken verzamel ik een schat aan woorden die we tot nu toe niet dagelijks hoorden. Voor Wim Daniëls https://www.wimdaniels.nl/  met een boekje komt, noem ik er hier alvast een aantal.  Aangezien we er nog lang niet zijn, om maar eens één van de vele clichés te gebruiken, komen er ongetwijfeld nog 'niet alledaagse' woorden bij.

IC-capaciteit, opschalen, afschalen, triage, beademingsbehoeftig, beschermende maatregelen, mondkapjes, viroloog, kwetsbare risicogroep, handhygiëne, RIVM-maatregel, frontberichten, helden, coronastraat, testen-testen-testen.

Intelligente lockdown, sociale afstand, quarantaine, samen, we doen het met z’n allen, hou vol, blijf thuis, houd afstand, raamvisite, beeldbellen, handhaving.

Gebarentolk.

Coronaspuger.

Coronavoucher, boemelvlucht. (vliegtuig wat van stad naar stad vliegt om gestrande toeristen op te halen)

Bedrijven met onvoldoende vet op de botten.

Het nieuwe normaal, anderhalve metercultuur.

woensdag, juni 05, 2019

Moderne huisarts

Op mijn elektrische fiets ben ik op weg naar de bibliotheek.
Onderweg passeer ik een basisschool waar het een komen en gaan is van ouders en verzorgers om het kroost veilig thuis of in de naschoolse opvang af te leveren. Op de stoep aan de overkant loopt een ouder echtpaar. Ik zie de man plotseling schokkende bewegingen maken. Hij dreigt te kapseizen, maar zijn vrouw houdt hem met alle macht in de benen en duwt hem op een muurtje waarachter een diep terrasje ligt.
‘Zitten, zitten’, hoor ik haar commanderen. Ik knijp in mijn remmen en roep ‘Gaat het?’ Achter mij hoor ik dezelfde kreet. Een jonge vrouw in rood T-shirt en een lichte broek is sneller van haar vouwfiets dan ik en schiet te hulp. 
Ik doe, wat trager, hetzelfde en besluit op het terrasje achter de man te gaan staan om te voorkomen dat hij in zijn ongecontroleerde bewegingen achterover valt.
De vrouw laat ons weten dat deze aanval vanzelf overgaat. Eigenlijk maakt ze zich meer zorgen dat ze haar kleinzoon nu niet op tijd uit school kan halen.
‘Daar past de juf wel op.' zegt de snelle toegeschoten hulpverleenster. 
Ze houdt de scheefgezakte bril van de man in haar handen. Zelf houd ik, met twee handen op zijn licht schokkende rug, de man op het muurtje tegen, terwijl zijn vrouw hem aan de voorkant ondersteunt.

‘Weet u zeker dat het overgaat? Ik ben huisarts en heb medicijnen in mijn tas.’ zegt de vrouw in het rood.
‘Dat hoeft echt niet, het gaat vanzelf over. Ik ga hier al jaren mee om.’
En inderdaad de aanval luwt, langzaam komt de man bij zijn positieven en komt voorzichtig overeind. Alhoewel hij nog wat wankel op zijn benen staat neemt zijn vrouw hem onder de arm en loopt onder dankbetuigingen richting de basisschool, waar haar kleinzoon op haar wacht. 
Bezorgd kijken we het stel na.
‘We moeten het maar zo laten, blijkbaar zijn ze dit gewend en  weten ze wat ze doen.' zegt de dokter.

Aangezien we in dezelfde richting moeten, fietsen we een tijdje samen op.
We nemen het incident nog even door. In eerste instantie dacht ik dat de man vanwege de ziekte van Parkinson aan het struikelen kwam. De dokter dacht aan een acute duizeling. Maar algauw bleek dat het om een epileptische aanval ging.
Wijzend op haar zwarte dokterstas op de bagagedrager vraag ik of ze visite rijdt op een vouwfiets.
Dat is inderdaad het geval. In de binnenstad is parkeren een ramp, op de fiets is ze sneller op de plaats van bestemming. Bij de huisartsenpraktijk aan de rand van het centrum zwaait ze af. ‘Nog bedankt voor uw hulp.’ zegt ze.

Ik vervolg mijn weg en denk terug aan mijn jeugd. In mijn hoofd stapt de oude statige huisarts in driedelig pak, gouden horlogeketting op zijn buik, uit zijn donkerrode auto. Hij boezemt aan alle kanten ontzag in.
Terwijl ik mijn fiets bij de bibliotheek parkeer kom ik tot de conclusie dat ik de vrouw in moderne outfit op haar snelle vouwfiets een leukere verschijning vind.

maandag, mei 27, 2019

Jeugdsentiment

‘Ach kijk, daar staat Tante Lotje,’ zeg ik tegen meneer F. Natuurlijk wil hij weten wat ik bedoel. 
Tante Lotje was de wijkzuster in ons dorp. Gestoken in een leren jas, gewapend met een grote bruine dokterstas en een wapperende lange zwarte sluier op haar hoofd, tufte zij op haar solex langs de zieken in het dorp en de wijde omgeving. Voor de bevolking was zij zuster Z. maar aangezien ze ook de buurvrouw van mijn grootouders was, was ze voor mij Tante Lotje.

Precies zo’n figuur staat in het Openluchtmuseum in Arnhem naast het
Groene-Kruisgebouw. Als je de wijkzuster bent gepasseerd en het gebouw binnengaat, dringt de zware geur van het ontsmettingsmiddel lysol meteen je neusgaten binnen. Behalve de spoelkeuken met allerlei attributen, zoals urinaals en ondersteken die je vroeger bij het kruisgebouw kon lenen, tegenwoordig heet dat medipoint of zoiets, is er ook een kamer waar de dokter spreekuur houdt. Via een bandje hoor je de man zijn patiënt toe spreken.
In de kamer ernaast zit een streng ogende zuster achter een bureau. 
Zo eentje die geen enkele tegenspraak duldt. Volgens meneer F. kun je het haar op haar tanden zien zitten. Zijn opmerking doet vermoeden dat hij in zijn vroege jeugd traumatische ervaringen heeft opgedaan.
De zuster zwaaide de scepter in het consultatiebureau, waar je als jonge moeder tijdens de eerste levensjaren van je kroost regelmatig werd verwacht. In die zin is er niet veel veranderd, behalve dat de moeder van nu heel wat mondiger is geworden. Men laat zich niet meer zo gemakkelijk de wet voorschrijven. Tenslotte kun je tegenwoordig alles opzoeken op internet. 
Of dergelijke zoektochten altijd tot gezonde en weloverwogen besluiten leiden, waag ik te betwijfelen. 
Wie kent nog de leus: “Rust, reinheid en regelmaat?”

In de laatste kamer van het oude kruisgebouw wacht mij nog een verrassing.
Daar hangt de poster die in mijn jeugd in mijn slaapkamer hing. In ons ouderlijk huis hadden we nog geen douche en als ik me goed herinner waren er maar twee soorten tandpasta. Prodent en Colgate, waarvan de goedkoopste op onze wastafel stond. In de jaren 50 van de vorige eeuw was ik vast niet de enige met dergelijke hygiënische raadgeving boven mijn bed. Ik denk niet dat ik me altijd aan de regels heb gehouden. 
Hoewel … met tanden poetsen heb ik niet vaak de hand gelicht.
Ik vond het kunstgebit van mijn opa een angstaanjagend geval als ik het wel eens in een glas zag staan en nam me op jonge leeftijd al voor dat mij dat niet zou overkomen. Het is gelukt, de meeste van mijn eigen tanden en kiezen heb ik nog.

En Tante Lotje? Tante Lotje is vervangen door collega’s in kekke autootjes of op elektrische fietsen. De solex wordt enkel nog als recreatief vervoermiddel gebruikt.




klik voor vergroten op de foto

woensdag, september 21, 2016

Wereld Alzheimer Dag

Jaren geleden werkte ik als zorgmanager in een verzorgingshuis, waar je toen nog met een beginnende dementie kon worden opgenomen. 
Meneer Bakker was een van de bewoners die ons een benauwd uurtje bezorgde. Onderstaand verhaal is waar gebeurd. 
Ik was in de veronderstelling dat ik het al eens had geplaatst, maar op mijn blog kan ik het niet terugvinden en daarom plaats ik het alsnog in het kader van bovengenoemde dag.

Uitstapje

Omdat zijn brein een deal heeft gesloten met meneer Alzheimer is meneer Bakker noodgedwongen in een verzorgingshuis gaan wonen. Dagelijks gaat hij  het dorp in voor een boodschapje of om een borreltje te drinken in zijn stamcafé. Doorgaans komt hij zonder problemen thuis en als hij al het spoor bijster raakt, is er altijd wel een dorpsgenoot die hem op de juiste plaats brengt. Wat hem bewogen heeft zal een raadsel blijven, maar op een ochtend stapt meneer Bakker in de bus en belandt in de naburig gelegen stad.
Tegenover het busstation wandelt hij een café binnen en bestelt een jonge jenever, het drankje dat hij gewend is te drinken.
Na het nuttigen van enige consumpties stapt hij op en komt al snel tot de ontdekking dat er iets niet klopt. Hij herkent de omgeving niet en dat hij een busreis heeft ondernomen is uit zijn geheugen gewist. Geen dorpsgenoot te bekennen die het probleem wel even voor hem oplost.

De kastelein, die de klant vanachter de tapkast in de gaten houdt, vertrouwt het niet en besluit hem weer binnen te halen. Vervolgens belt hij het politiebureau om aangifte te doen van een bejaarde man die letterlijk en figuurlijk de weg kwijt is.
De heer Bakker wordt meegenomen naar het bureau en ondervraagd over zijn woon en/of verblijfplaats.
De verdwaalde weet te melden dat hij in een verzorgingshuis woont maar geen idee heeft in welke plaats zich dat bevindt en hoe hij in de stad is beland is hem helemaal een raadsel.
Nu kun je alle verzorgingshuizen afbellen om te vragen of ze een op drift geraakte bejaarde missen, maar voor alle kamers gecontroleerd zijn is de dag een eind op weg en wachten op aangifte van een vermissing gaat uren kosten. 
Om de man een nachtje in een cel te laten slapen gaat de agenten te ver.
De politie is je beste vriend en dus rijdt de gewapende macht met meneer Bakker op de achterbank door de stad, waar de zoektocht niet tot resultaat leidt. Er zit niets anders op dan in de regio langs alle verzorgingshuizen te rijden en rustig af te wachten of de vondeling enige herkenning ziet.
De missie slaagt. In een van de dorpen roept meneer Bakker bij het zien van zijn tehuis: “Stop hier woon ik.”
Binnen heerst een paniekerige sfeer want er wordt een bewoner vermist. 
Er is discussie over al of niet de politie bellen, maar dat hoeft niet meer.
De opluchting is groot als men de vermiste tussen twee agenten in de hal ziet verschijnen.
Meneer Bakker begrijpt de commotie niet, hij is gewoon een borreltje gaan drinken en wordt netjes door de heren in uniform thuis gebracht. Wat is daar nou mis aan?

Met een grijns neemt hij afscheid van zijn begeleiders en zet koers naar zijn kamer. 

zondag, februari 07, 2016

Schrijfcursus

Opdracht 2:
We krijgen een foto van ineengestrengelde oude handen. 
De vraag is wat de afbeelding teweegbrengt.
Is het een herinnering of  misschien verlangen? Ik reis terug naar een leerzame periode in mijn loopbaan als verpleegkundige en schrijf onderstaand verhaal.
De namen van de bewoners zijn gefingeerd.
En nu maar hopen dat jullie het niet te lang vinden.

Commentaar van de schrijfcoach: Wat een mooi verhaal, ik zie het echtpaar voor me.
Jammer dat de beleving van je eigen indrukken buiten beeld blijft.


foto internet
Koude Kermis

Het is 1977 en ik loop stage in een verpleeghuis voor psychogeriatrie. 
De stage is een verplicht onderdeel van de opleiding tot psychiatrisch verpleegkundige. Hoewel ik op een gesloten afdeling ben geplaatst, gaat er een wereld voor me open. 
Binnen de verpleging in het ‘gewone’ ziekenhuis heb ik tien jaar ervaring, maar nog nooit heb ik zoveel bejaarde verwarde mensen bij elkaar gezien. De afdeling wordt bevolkt door 25 vrouwen en mannen die allemaal, in een vergevorderd stadium, de ziekte van Alzheimer hebben. Deze mensen hebben bij alle dagelijkse handelingen hulp nodig en zouden op een open afdeling niet meer kunnen functioneren. Een aantal van hen heeft last van bewegingsdrang en is voortdurend aan de wandel. Ze zijn het spoor dermate bijster dat ze buiten de afdeling meteen zouden verdwalen.
De unit waar ik werk is in een cirkel gebouwd. Aan weerskanten van de gang liggen de slaapkamers, de huiskamer en de keuken. In het midden zijn de badkamer, de spoelkeuken en een ruimte voor linnengoed gesitueerd. Deze bouw zorgt ervoor dat er visueel aan de gang geen einde is. Voor bewoners met bewegingsdrang lijkt dat veel vrijheid te geven.
Let wel, ik praat hier over de jaren 70 van de vorige eeuw. Sindsdien is er wat betreft inzichten over zorg en welzijn veel veranderd. Verpleeghuizen met vier verdiepingen worden niet meer gebouwd. Tegenwoordig bestaan dit soort huizen uit laagbouw met prachtige tuinen en hebben bewoners, zelfs op een gesloten afdeling, meer bewegingsvrijheid.

Onder de bewoners waar ik mee te maken heb, bevindt zich het echtpaar Breedveld.
Het lot heeft beslist dat ze tegelijkertijd de ziekte van Alzheimer krijgen en het doorlopen van verschillende stadia verloopt parallel. Dat is een geluk bij een ongeluk, want het betekent dat dit stel, dat zeer aan elkaar verknocht is, samen kan blijven. De familie Breedveld heeft een eigen slaapkamer waarin de eenpersoonsbedden knus tegen elkaar zijn geschoven.
Hij is een grote rijzige man met blauwe pretoogjes die het vrouwelijk schoon nog steeds op waarde weten te schatten. Je ziet meneer Breedveld nooit zonder stropdas en vest.
Hij houdt van stijl en probeert dat op gezette tijden nog in ere te houden. Hij weet met flair de huiskamerdeur voor je open te houden. Dames gaan voor, is stevig ingebakken.
Mevrouw Breedveld is een fragiele vrouw met rode appelwangetjes. Haar kleding oogt netjes, maar de jurken slobberen om het magere lijfje. Haar permanentje blijft nooit lang in vorm. 
Het echtpaar is onafscheidelijk. Samen wandelen ze, hand in hand, een groot deel van de dag hun rondjes in de gang. Waar hij gaat, gaat zij ook. Je zou kunnen zeggen dat ze haar man scherp in de gaten houdt. Als zijn ogen de vrouwelijke verzorgenden teveel volgen wil zij, in een helder moment, nog wel eens snibbig uit de hoek komen. ‘Pieter, kijk al het moois er niet af.’ Waarop Pieter haar even stevig knuffelt, zodat ze weet dat hij haar trouw is.

Tijdens de maaltijden wordt het verschil in gewoontes tussen de bewoners goed zichtbaar.
Waar meneer Dijkstra, in zijn pak dat aan het eind van de dag grijs ziet van de sigarenas, zijn elleboog op tafel legt en zijn warme hap naar binnenschuift, vouwt het echtpaar de servetten keurig op hun schoot uit. Mes en vork worden volgens de regels gehanteerd.
Men geniet zichtbaar van het eten. Aan de overkant van de tafel doet mevrouw van Klaveren hetzelfde, maar wegens een niet passend gebit, smult zij smakkend van haar geprakte maaltje. Haar overbuurvrouw kan het niet waarderen en laat haar afkeuring blijken. 
‘Mens waar zijn je tafelmanieren, het is niet om aan te horen.’ Mevrouw van Klaveren moet het wel vaker ontgelden. Zij is zo mogelijk nog kleiner dan mevrouw Breedveld. Zij heeft de gewoonte staande weg te dromen terwijl ze zich aan de steunbalk in de gang vasthoudt.
Zo vormt ze voor de wandelaars een obstakel waar ze omheen moeten laveren. 
Mevrouw Breedveld doet menig poging dwars door het mensje heen te lopen: ‘Aan de kant je staat in de weg.’ Mevrouw van Klaveren heeft geen idee wat er van haar wordt verlangd en blijft op haar plek. Onder leiding van Pieter’s zachte hand lost dit euvel zich meestal vanzelf op.

Overdag bestaan de werkzaamheden uit dagelijkse verzorging. We voorzien de bewoners van hun natje en droogje. Zorgen voor toiletgang met alle bijbehorende werkzaamheden, zoals verwisselen van incontinentiemateriaal en soms is een wasbeurt nodig.
We lezen gezamenlijk de krant en assisteren de collega’s van de activiteitenbegeleiding bij hun werkzaamheden. In deze setting heb ik opnieuw leren breien en haken. De liedjes uit de bundel ‘Kun je nog zingen, zing dan mee’ zijn me gelukkig niet vreemd en sommige psalmen en gezangen weet ik ook nog uit mijn geheugen op te diepen.

In een drukke avonddienst heb je voor dergelijke jolijt geen tijd. Twee verzorgenden moeten 25 bewoners van eten en drinken voorzien en er tevens voor zorgen dat iedereen, liefst schoon, in bed ligt voor de nachtdienst om 22.30 uur de verantwoording overneemt.
Het is vermoeiend en tijdrovend werk. Veel bewoners laten zich gedwee de nodige verzorging aanleunen, maar er zijn er ook die weerstand bieden en dat vraagt takt en overredingskracht. Soms besluit je jouw zin niet door te drijven en verplaats je de handelingen naar iemand anders. Meestal waait de bui over en is de bewoner in kwestie vergeten dat hij of zij nog niet naar bed wil.

Tijdens zo’n avonddienst word ik op de gang door een man aangesproken.
‘Zuster, mijn vader ziet er uit alsof hij van de kermis komt.’ Ik vind het vreemd op dit tijdstip nog een bezoeker aan te treffen, maar blijkbaar heeft mijn collega de man binnengelaten.
De vader blijkt meneer Breedveld te zijn die al minstens een uur onder de wol ligt in zijn blauw gestreepte pyjama met zijn vrouw naast zich in een roze flanellen nachthemd.
Ik begrijp er niets van en loop met de zoon naar de kamer van zijn ouders.
Meneer Breedveld heeft kans gezien zijn kleding uit de kast te vissen en heeft zich aangekleed. Het overhemd is onregelmatig dichtgeknoopt, een rode stropdas hangt half om zijn nek en zijn gulp staat op een kiertje. Hij slaapt en snurkt er flink op los.
Voor een zoon moet dit een confronterende aanblik zijn. Het ziet er uit alsof zijn keurige vader met een flinke slok op zijn roes ligt uit te slapen. Inderdaad zo van de kermis …
Ik doe een poging de situatie uit te leggen, maar heb al snel in de gaten dat ik niet word geloofd. ‘U heeft mijn vader aan zijn lot overgelaten. Hij kan niet voor zichzelf zorgen juist daarom hebben we hem hier gebracht.’
Dat zijn moeder keurig verzorgd in bed ligt ontgaat de man blijkbaar. Ik toon begrip voor het gevoel van de zoon, maar het onheil is geschied. Ongenoegen en een afwerende houding zijn mijn deel. Als ik de afdelingsdeur voor hem ontsluit zegt hij op afgemeten toon. ‘U hoort hier nog van, ik ga een klacht indienen bij uw afdelingshoofd.’
Mijn collega kijkt niet op van deze dreiging. ‘Echt iets voor Nico Breedveld. Als hij al op bezoek komt is het op een onzalig tijdstip en steevast klagen. Trek het je niet aan, zijn zuster roept hem wel tot de orde. Die begrijpt de gang van zaken rond haar ouders beter.’
Samen hijsen we de mopperende kermisklant opnieuw in zijn pyjama. Hij sliep net zo lekker en nu maken wij hem wakker, stelletje slavendrijvers. Zijn vrouw slaapt door alle tumult heen. Wij maken onze werkzaamheden af en ik schrijf het ongenoegen van zoon Breedveld zo nauwkeurig mogelijk in het rapport voor het geval hij toch met een klacht komt.
Ook de verzorgende in de nachtdienst denkt dat het zo’n vaart niet zal lopen.
Blijkbaar zijn mijn collega’s dit soort situaties gewend, ze schuiven mijn zorgen over een eventuele slechte beoordeling met gemak van tafel.
Eenmaal thuis, zak ik met een glaasje wijn nog even onderuit en spoel daarna mijn zorgen door het doucheputje.

Als ik de volgende dag mijn dienst begin is meneer Breedveld weer helemaal het heertje en uiterst voorkomend. Zijn vrouw pikt het niet. ‘Stel je niet aan Pieter, zij is van de bediening, dat zie je toch.’ Hij geeft me een knipoog terwijl hij zijn vrouw bij de hand pakt en met haar uit wandelen gaat. Van zoon Nico hebben we nooit meer iets gehoord.

woensdag, januari 27, 2016

Knus en Sneu

Wachtend achter de rollator
Staan ze in rijen voor de lift
Willen niet de laatsten zijn
Voor een jonge klare
Of het glaasje advocaat
Een stropdas vol met vlekken
Grijze haren in de krul
Shampoo, geurtje, chocola, op een volle prijzentafel
Plankje, cijfertje, molentje draait rond
Tot bingoballetje valt
Zij van de Vries staat weer met de meeste prijzen voor de lift.

woensdag, januari 06, 2016

Struikelblok

‘Goedemorgen meneer van Dijk. Hoe gaat het met u?’
‘Ach, dokter ik mag niet mopperen. De linker band van mijn rolstoel is lek en de remmen zijn gebroken, maar gelukkig was de buurman zo aardig mij naar uw praktijk te rijden.
Als ik op de lange afstand ga, gebruik ik de booster. Gisteren begaf de accu het terwijl ik midden op het fietspad in de duinen stond. Toen ik de servicedienst wilde bellen bleek dat ik had vergeten mijn telefoon op te laden. Uiteindelijk heeft de boswachter er voor gezorgd dat de servicedienst me vlot kwam trekken.
Het werd al aardig donker en tot overmaat van ramp begon het te regenen. Aangezien mijn laptop stuk is had ik niet op buienradar kunnen kijken en had ik de gok gewaagd geen regenkleding mee te nemen. Doorweekt kwam ik thuis en toen ik een warme douche wilde nemen struikelde ik over de rand van de douchebak en stootte mijn grote teen.
Ik zal u de woorden besparen die uit mijn mond kwamen. 
Vervolgens bleef de traplift halverwege de trap hangen, maar gelukkig had ik mijn alarmmedaillon om en dus verscheen de buurman om me uit die benarde positie te redden. 
Hij was zo vriendelijk mij in de relaxstoel te parkeren, de afstandsbediening van de TV binnen handbereik te leggen en omdat hij er toch was heeft hij ook maar even koffie gezet. 
Al met al was het best een vermoeiende dag geweest en toen de wijkzuster kwam om mijn elastische kousen uit te trekken lag ik compleet voor pampus met de TV op volle sterkte want de batterijen van mijn gehoorapparaat waren leeg.’
‘ Lastig al die techniek, maar wat kan ik voor u doen meneer van Dijk?’
‘Naar die blauwe teen kijken die ik heb gestoten, dat vertelde ik toch?’

WE-300 Schrijf een fictief stuk in 300 woorden over het woord gezondheid zonder dat woord te gebruiken. Voor meer info:https://platoonline.wordpress.com/

zaterdag, augustus 15, 2015

De allermooiste dag

27 november 1970, is voor mij de allermooiste dag. Die dag kreeg ik het insigne opgespeld dat bij het A-diploma voor verpleegkunde hoort. 
Wat was ik trots op die speld en een mooie cijferlijst.
Het betekende de springplank naar een zelfstandig leven. Ik had een vak geleerd en kon voortaan voor mezelf zorgen. Na drie en een half jaar hard werken, studeren, vallen en opstaan, eindelijk het fel begeerde kruisje onder de kin op de stijf gevouwen witte kraag van het blauwe uniform. 
Ik heb in de loop der jaren nog het een en ander aan diploma’s en certificaten bij elkaar gesprokkeld, waaronder het B-diploma, waar een pittige opleiding in de psychiatrie aan voorafging. Die diploma-uitreiking vond plaats op 28 augustus 1979 en is ook een mijlpaal in mijn leven, maar 27 november 1970 blijft de allermooiste dag.


Natuurlijk was mijn trouwdag een topdag, maar de prestatie die ik daarvoor heb geleverd was, voor mijn gevoel, minder groot.


foto internet

maandag, maart 03, 2014

Pincode

Meneer van Langen verkeert in een vroeg stadium van de ziekte van Alzheimer. Hij woont nog thuis, maar bezoekt dagelijks de dagopvang die bij hem in de buurt is gehuisvest. Het lukt hem om daar op tijd aan de koffie te schuiven omdat hij ’s ochtends door een verzorgende telefonisch wordt herinnerd dat hij wordt verwacht. Als hij het vaste toestel thuis niet opneemt probeert ze zijn mobiele nummer te bellen. Van zijn kinderen heeft meneer van Langen een mobiele telefoon gekregen. Een modern hulpmiddel dat prima werkt zolang je de pincode kunt onthouden. Maar als meneer van Langen zijn telefoon heeft uitgeschakeld is hij voor de buitenwereld op die manier niet meer te bereiken omdat hij is vergeten hoe je het toestel weer op gang krijgt. Ook vandaag reageert hij niet op de telefonische oproep, maar hij verschijnt desondanks op tijd voor de koffie.
De verzorgende vertelt hem dat ze heeft gebeld en dat zijn toestel waarschijnlijk uitstaat.
Meneer van Langen haalt zijn mobiel tevoorschijn en vraagt haar de boel weer op orde te brengen. Dat wil ze graag doen maar zonder pincode lukt dat niet.
Ze stelt hem de overbodige vraag of hij de pincode weet. ‘Vier of vijf sterretjes’ is het antwoord.
Ze legt geduldig uit dat ze voor het zien van die vier sterretjes cijfers moet indrukken.  
‘Doe nou maar die sterretjes, dan werkt ie weer.' Verdere uitleg van haar kant is zinloos.
Ze waagt de gok met 4x0 en het blijkt de juiste code te zijn.
Ze leest voor dat er twee gemiste oproepen zijn.
Het telefoontje van de dagopvang dat het tijd is om van huis te gaan en dat T-Mobile een bericht heeft achtergelaten. Dat laatste interesseert de klant niet. Terwijl hij het mobieltje in zijn achterzak stopt, zegt meneer van Langen; 'T-mobile, die ken ik niet.'


Enkele jaren geleden was ik als vrijwilliger lid van een cliëntenraad en ging derhalve wel eens op de koffie bij de dagopvang. Verbeterde versie van een oud verhaal dat ik op mijn blog nooit heb geplaatst.

maandag, januari 27, 2014

Grenzen trekken rond welzijn en gezondheid

getrokken grenzen
rond welzijn en gezondheid
geeft kromme lijnen

donderdag, oktober 10, 2013

Bemiddelen

In verzorgingshuis "Oosterhout" heeft een leerling verzorgende mevrouw Koster haar wasbeurt gegeven en maakt aanstalten om haar de elastische kousen aan te trekken. Mevrouw is vandaag in een dwarse bui en onder het motto dat het veel te warm is voor die ondingen, staakt ze elke medewerking. De leerling doet haar best om haar op andere gedachten te brengen, maar dat mislukt. Ze vraagt mij om hulp en ik start een bemiddelingspoging.

“Mevrouw Koster u weet toch dat dokter de Vries u dringend heeft geadviseerd elastische kousen te dragen.”
“Dokter de Vries kan me wat met zijn elastische kousen. Hij heeft geen idee hoe die dingen knellen om je benen. Met dit warme weer is dat geen doen.”
“Maar u weet toch welk risico u loopt als u ze niet draagt. Over een dag of drie kunt u geen schoenen meer aan omdat uw voeten helemaal zijn opgezet. Er is maar een klein stootje nodig om uw huid te beschadigen en dan is Leiden helemaal in last want voor zo’n wondje dan weer dicht is bent u weken verder en zit u al die tijd aan uw stoel gekluisterd.”
“Gut, gut, dat je nog niet zegt dat het voor mijn eigen bestwil is. Met die opmerking staan jullie voortdurend klaar. Ik bepaal mijn bestwil zelf wel, daar heb ik jou en je collega’s niet voor nodig.
Ik snap wel dat jij dat arme kind hier te hulp moet komen omdat ze de verantwoordelijk nog niet mag dragen, maar ook jouw gezag zal me een worst zijn vandaag. Ik doe die kousen niet aan.”

De strijdlustige blik waarmee ze me aankijkt spreekt boekdelen en ik weet dat we de kousenstrijd vandaag niet gaan winnen. Ik stel voor om de beensteunen van haar stoel horizontaal te zetten zodat haar benen niet afhangen en dat ze dan vandaag zonder kousen de dag doorbrengt op voorwaarde  dat ze zoveel mogelijk blijft zitten. Dat laatste klinkt haar als muziek in de oren, want bewegen is niet haar favoriete bezigheid. Uiteindelijk laat ik mijn gezag toch even gelden en zeg dat ik ervan uitga dat ze de volgende dag niet opnieuw de strijd aanbindt.
Voor dit moment ziet ze de winst en lichtelijk mokkend zegt ze; ”Nou ja voor wat hoort wat.”

maandag, februari 25, 2013

Vijandbeeld

Vijandbeeld voor later…

 Lopen, lopen, lopen, rechtsom, linksom.
“Dag meneer, kennen wij elkaar’?
“Dag mevrouw, zou kunnen, zeker weten doe ik het niet.”
Lopen, lopen, lopen, linksom, rechtsom.
“He dag mevrouw u ook hier?”
“Ach vent, zeur niet, loop door.”
Lopen, lopen, lopen, rechtdoor.
“Maak die deur eens open, ik moet naar huis, voor mijn man zorgen.”
Lopen, lopen, lopen, bekaf, even zitten, naast anderen.
“Mens wat ben jij druk vandaag, ik heb je al drie keer voorbij zien komen, zit de vijand op je hielen?”
“Gaat jou niks aan, ik loop als ik dat wil.”
Linksom, rechtsom, doelgericht lopen zonder doel.

zaterdag, februari 23, 2013

Bloemen verzorgen

‘Goedemorgen, en hoe gaat het met ons vandaag?’
Verbijsterd hoor ik de vrolijke toon van de man die, ondanks de brief op de deur, de ziekenkamer binnenkomt.
Hij posteert zich aan het voeteneind en neemt de patiënt in bed monsterend op.
Deze reageert totaal niet op de bezoeker en de gestelde vraag. Voor mij is dat een teken dat mijn, altijd zo vriendelijke zwager, geen boodschap heeft aan deze man.
‘Wie bent u?’ vraag ik. De kleding van de vrolijkerd lijkt in niets op een ziekenhuisuniform dus vanuit die hoek kan de overdreven belangstelling niet komen.
‘Ik noem mezelf altijd het bloemetje van de week, ik ben vrijwilliger en verzorg de plantjes en bloemen van de patiënten en kom ook hier elke dag even kijken hoe meneer het maakt.’
‘En ondertussen bevredig ik mijn nieuwsgierigheid’, denk ik kwaadaardig.
Ik zeg de man dat de familie deze zaken zelf verzorgt tijdens de waakuren die zij doorbrengt in deze kamer en dat de patiënt met rust wil worden gelaten. Het bericht op de deur is niet voor niets aangebracht. “Alleen familie, bezoek in overleg.”
‘Oh, maar ik doe het graag hoor.’
‘Dat begrijp ik, maar we doen het zelf,’ hou ik vol.
Mijn doodzieke zwager ligt op dergelijke vrijwilligers niet te wachten.
Het bloemetje van de week kan niet nalaten hem over zijn bovenarm te strijken voor hij de kamer verlaat.

zaterdag, februari 02, 2013

Vacuüm van hoop en vrees

Het is voorjaar van het jaar 1977. In de neurologische kliniek wordt je komst aangekondigd.
Jonge man motorongeval, ernstig hersenletsel. We brengen alles wat nodig is voor je in gereedheid.
Puntgaaf zie je er uit, geen breuken, geen wonden. Alleen aan de binnenkant van je schedel is het een puinhoop.
Weken zorgen we voor je, noteren alles wat er maar te noteren valt aan reacties, hoe gering ook.
Wat we zien en de scores die we daarvan bijhouden baren grote zorgen.
Komt het ooit nog goed met je, dat antwoord moeten we aan je verloofde en je ouders voorlopig schuldig blijven.
We vangen hen zo goed mogelijk op. Het verdriet en de zorgen zijn groot.
Je verloofde vertelt dat jullie op de dag van het ongeluk net de laatste afspraken hadden gemaakt voor jullie voorgenomen huwelijk.
Was je er met je hoofd niet bij toen je die bocht, waar je elke dag langskwam, verkeerd nam?
Na drie weken adviseert de zaalarts je verloofde het huwelijk voorlopig af te blazen.
Diep in ons hart vermoeden wij dan al dat het voor altijd zal zijn.
De uitslagen van het hersenonderzoek zijn zo slecht dat van een normaal leven mogelijk geen sprake meer kan zijn. Maar om te kunnen zeggen hoe groot de schade echt is zal er nog veel tijd verstrijken en moeten diverse onderzoeken herhaald worden.
Na 12 weken word je overgeplaatst naar een verpleeghuis waar je mogelijk de rest van je leven als een kasplantje zult voortleven.
Je verloofde reist met je mee in de ambulance, een heel andere rit dan die jullie je een paar maanden geleden hadden voorgesteld.

zaterdag, januari 26, 2013

Uitvinding

In 1967 begon ik mijn loopbaan in de verpleging en tot 2003, in mijn laatste baan als zorgmanager in een verzorgingshuis, heb ik uitvindingen voorbij zien komen.
Zo waren in 1967 alle spuiten van glas en gingen na gebruik naar de sterilisatieafdeling. Het laat zich raden hoeveel werk het was om die dingen eerst huishoudelijk schoon te maken voor ze naar de autoclaaf konden.
Maagsondes en blaaskatheters waren van rood rubber en gingen dezelfde weg.
Infuusnaalden waren dikke poken en de vloeistof die werd toegediend zat in glazen flessen met een rubber dop die je moest desinfecteren voor de naald kon worden ingeprikt. Het infuussysteem was wel van plastic en voor eenmalig gebruik bedoeld.
Tegenwoordig is bijna alles van wegwerpmateriaal gemaakt. Ik heb het zien komen en het gemak ervan mogen ervaren.
Verbandartikelen werden steeds beter en vooral de pleisters, gebruiksvriendelijker.
De steriele trommel waarin de gazen waren opgeborgen en die met een zogenaamde korentang tevoorschijn werden gehaald verdween geleidelijk aan omdat de gazen apart werden verpakt.
Voor de steriliteit was dit een enorme vooruitgang.
Je kunt het je nu niet meer voorstellen, maar ik heb in mijn opleidingsziekenhuis de eerste monitor zien komen. De cardioloog was er apetrots op.
Als je een heup brak lag je weken in een onmogelijke houding in een kleefpleisterrekverband en kon je op doorligwonden wachten. Tegenwoordig krijg je zelfs op hoge leeftijd een kunstheup en ben je na een kort revalidatieprogramma snel weer thuis, dat je het daar dan in je eentje moet zien te redden is van ondergeschikt belang. Niet alle verandering is verbetering…
Er verschenen tilliften, hoog/laagbedden enz. eerst nog met hand en voetbediening maar ook dat is inmiddels achterhaald. Alles gaat elektrisch.
Het looprekje werd vervangen door een driehoekig geval op wieltjes wat weer de voorganger van de rollator was. De eerste rollator die ik binnen de muren van het verzorgingshuis zag verschijnen was groen van kleur en kostte 1.100 gulden. Een bedrag dat destijds door de ziektekostenverzekering en later door de gemeente werd betaald. Inmiddels kun je dit hulpmiddel zelfs bij de Gamma aanschaffen en zijn de prijzen fors gedaald.
Technische uitvindingen zijn de zorg ten goede gekomen. Of je dat van marktwerking en concurrentie ook kunt zeggen is de vraag.

donderdag, januari 24, 2013

Ruzie

Razend was ze op de collega, die haar onheus had bejegend.
De woordenwisseling was hoog opgelopen en in het heetst van de strijd had ze zich op haar hielen omgedraaid en was in tranen de spoelkeuken ingevlucht.
Daar probeerde ze tot rust te komen en de situatie te overzien. Ze maakte meteen van de nood een deugd en begon de waskommen en po’s te soppen. Ze kon niet nalaten met de metalen bakken flink wat herrie te maken. Ze smeet ze met een smak op het aanrecht en rammelde extra hard met de podeksels. Iedereen buiten op de gang moest horen hoe boos ze was. En als iemand zou wagen de spoelkeuken te betreden kon hij een deksel naar zijn hoofd krijgen.  Ze kreeg het warm boven het hete sop en opende het raam dat op een binnentuintje uitkwam. Frisse lucht stroomde de keuken binnen en het leek haar wel te kalmeren. Haar woede nam af evenals het lawaai dat ze maakte.
Toen de spoelkeuken er blinkend uitzag en er echt niets meer viel schoon te maken besloot ze de afdeling weer op te gaan. Terwijl ze de deur wilde sluiten waaide deze uit haar handen en viel met een klap dicht. Ze kon nog net het rinkelende glas ontwijken en kwam met de schrik vrij.
Het volgende moment stond de hoofdzuster voor haar neus. “Meekomen nu.”
Als een lammetje liep ze mee naar het kantoor waar ze alle overredingskracht nodig had om uit te leggen dat de woede was gezakt en dat het dichtslaan van de deur daar geen deel van uitmaakte. 

dinsdag, januari 22, 2013

Spelen

De kaarten zijn geschud
De bingoballetjes draaien
De sjoelbak ligt op tafel
De advocaat staat klaar
  Spelmiddag in het verzorgingshuis