In verband met modereren kan het zijn dat het even duurt voor je reactie zichtbaar is.

Posts tonen met het label ik vertrek vervolgverhaal. Alle posts tonen
Posts tonen met het label ik vertrek vervolgverhaal. Alle posts tonen

donderdag, april 14, 2022

Ik vertrek 20 slot

Er is meer dan een jaar verstreken sinds moeder Voortman in de ontvangstruimte op Schiphol de show stal. Zodra Henk in de deuropening verscheen sprong ze juichend in zijn armen. ‘Je leeft, jongen je leeft.’ Sindsdien is er veel gebeurd. Henk verkocht zijn huis en keerde niet terug naar Texel. Beiden werken we parttime bij de Universiteit in Wageningen en zijn op dezelfde dagen vrij. We wonen in een verbouwde boerderij aan de rand van de Veluwe, ieder met ons eigen woongedeelte, maar met een flinke woonkeuken waar we samen veel tijd doorbrengen. Op het terras dat aan een kleine tuin grenst hebben we een barbecue laten bouwen. Het duurde een tijdje voor we zin hadden verse moten vis en ananasschijven op het rooster te leggen. Vader Voortman heeft zich verzoend met het feit dat zijn enige zoon niet voor nageslacht zal zorgen. Dat Henk en ik samen een huis delen vindt hij moderne fratsen, maar hij begrijpt maar al te goed dat hij zich ook daarbij moet neerleggen, wil hij de vrede bewaren met moeder Voortman die alles van de verloren gewaande zoon tolereert. Mijn naaste familie is altijd al tolerant geweest ten opzichte van buitenbeentjes en kijkt er niet van op dat we samen onder één dak wonen.

De eerste weken na onze thuiskomst zijn we door de media overspoeld.
Elke krant, tv- en radioprogramma wil ons verhaal horen. Aan de meesten geven we gehoor, altijd nemen we het kratje met onze dierbare spullen mee. De eerste keer dat ik het inktpotje, de pen, een van de dagboeken en de voorwerpen die we zelf hebben gemaakt goed zichtbaar op tafel leg, zie ik Henk verbaasd zijn wenkbrauwen optrekken. Bang dat hij het onzin vindt heb ik hem niet ingelicht over mijn plan om tijdens de interviews alle attributen zoveel mogelijk uit te stallen. De truc werkt, waar ik zo vurig op hoop gebeurt er meldt zich een uitgever, al gauw is de deal gesloten en worden we met schrijven van een boek geholpen. De eerste druk van “Aangespoeld” is binnen vier weken uitverkocht. Henk en ik reizen in onze vrije tijd stad en land af voor signeersessies en lezingen in bibliotheken en bij leesclubs. De inhoud van het kratje zorgt voor vragen en maakt de bijenkomsten tot een boeiend geheel. Vooral het houtsnijwerk en de sieraden krijgen veel aandacht. Sinds kort laat Henk het horloge van Davy zien dat zijn pols siert en zijn de schoenen aan het krat toegevoegd.

Na zo’n dag met een lezing of een signeersessie zitten we, nog altijd verbaasd, ’s avonds  in de woonkeuken of op het terras na te praten. Onvoorstelbaar wat die tijd op het onbewoonde eiland ons heeft gebracht. Binnenkort beleeft het boek zijn derde druk. Aan een Duitse en Engelse vertaling wordt gewerkt. Dokter Clarck en commandant Forster krijgen gesigneerde exemplaren toegestuurd. Het contract voor een verfilming is getekend. Om de zaken in goede banen te leiden hebben we, op advies van de uitgever, een manager in de arm genomen.  Pogingen van de filmproducent om ons de hoofdrollen te laten vervullen zijn tot spijt van de manager bij het eerste gesprek al gestrand. Hoe flink we ook waren tijdens ons gedwongen verblijf op dat eiland, zelfs voor een fors geldbedrag gaan we niet op herhaling. Wel geven we bij de audities advies over de uitstraling van de acteurs: Te glad en te mooi gaat voor ons gevoel niet werken. Bij de première zorgen we op de rode loper voor flinke opschudding door in afritsbroeken en sportieve blouses te verschijnen. Henk heeft de survival kit aan zijn schouder hangen. Ik draag een halsketting van schelpen en mijn voeten steken in de schoenen van Davy. De volgende dag kopt de showpagina van De Telegraaf: ‘Paar apart blijft ondanks roem stevig met beide benen op de grond.’ Overleven relativeert.
----

@ Lieve lezers, aan alles komt een eind en dus ook aan het avontuur van Frida en Henk. Nogmaals veel dank voor jullie aandacht en enthousiaste reacties, ik ben er erg blij mee. Ook aan dit verhaal heb ik met plezier gewerkt. Ik heb ooit eens gezegd: 'Een vervolgverhaal achtervolgt de schrijver elke dag.'  Voorlopig is het wel genoeg geweest.

donderdag, april 07, 2022

Ik vertrek 19

De dagen aan boord verlopen in alle rust. We krijgen de kans om langzaam aan te sterken. Commandant Forster en dokter Clarck leggen het vervolg van onze thuisreis uit. Zodra dokter Clarck daarvoor toestemming geeft worden we overgedragen aan de Honorair Consul in Auckland. Hij zal samen met de ambassade in Wellington de thuisreis regelen. We laten Forster weten dat onze redding voorlopig geheim moet blijven want we hebben nog geen idee hoe de thuiskomst eruit moet zien. Henk en ik nemen diverse scenario’s door, van uitbundig aankomen met toeters en bellen tot stiekem in Brussel of Frankfurt landen en vandaar naar Nederland reizen. Maar we eindigen telkens weer bij de achterdeur van Schiphol waar de ouders van Henk en mijn moeder ons opwachten. Forster vindt het een goed besluit en belooft een en ander met de autoriteiten te overleggen.

Met een balpen van de marine houd ik mijn dagboek bij. Het restje inkt en mijn vulpen zitten veilig opgeborgen in de survival kit. Ik wil ze als souvenir bewaren en heb er in mijn achterhoofd nog andere plannen mee. Ik maak ook een lijstje van Davy’s spullen. Hopelijk mag Henk het horloge houden, maar zonder toestemming van Davy’s nabestaanden wil hij dat niet doen. Stiekem hoop ik op zijn schoenen als aandenken.

Op de zesde dag loopt ons schip binnen in de marinehaven van Devonport. Nadat we Forster en zijn bemanning hebben bedankt voor hun goede zorgen, worden we door dokter Clarck naar het marine hospitaal begeleid dat we mogen verlaten na een uitgebreid bloedonderzoek en een bloedtransfusie. Dokter Clarck geeft ons zijn visitekaartje, hij wil graag nog eens horen hoe het ons vergaat. Hij draagt ons hoogst persoonlijk over aan de Honorair Consul en daarmee gaat de volgende fase van de thuisreis in. 

We worden ondergebracht in een suite van een luxe hotel. Er staat een kledingrek en een tas met ondergoed klaar waar we voor de rest van ons verblijf een keuze uit mogen maken. De Honorair Consul geeft ons de gelegenheid van kleding te wisselen. Als we de overalls hebben verruild staan we elkaar onwennig aan te kijken, we zijn totaal vergeten hoe we eruitzien in gewone, niet verschoten kleding. ‘Nog wat vet op de botten, een gang naar de kapper en je bent weer een aantrekkelijke meid’. zegt Henk.
Ik schiet in de lach. ‘Of jou dat wat kan schelen.’
‘Foute gedachte, Frida. Ik val niet op vrouwen, maar ben niet blind voor ze.’

De consul voegt zich weer bij ons. De voorlopige identiteitspapieren en de vliegtickets zijn in de maak. Het ministerie van Buitenlandse Zaken zal in verband met het tijdsverschil de dag voor ons vertrek uit Nieuw-Zeeland het thuisfront informeren en voor hun vervoer naar de luchthaven zorgen.
Aan onze wens geruisloos te worden verenigd met de familie wordt gehoor gegeven. We zullen direct na de landing als eersten het vliegtuig verlaten en aangezien we amper bagage hebben zonder plichtplegingen van douane met speciaal vervoer weggebracht worden naar een aparte ontvangstruimte. 

Maar voor het zover is wacht ons het onderhoud met de rederij van het vergane schip. Wat er precies is gebeurd weten ook wij niet. We vertellen wat ons na de ondergang van het schip is overkomen en hoe we het afgelopen jaar hebben overleefd. Als Henk verslag doet van het aanspoelen en begraven van Davy leg ik zijn bezittingen op tafel. Ik bewaar het horloge voor het laatst en vertel hoeveel gemak we daarvan kregen toen we niet meer waren aangewezen op een zelfgemaakte zonnewijzer. Ik neem de brutaliteit om te vragen of ze de nabestaanden van Davy willen vragen of we het horloge en zijn schoenen als aandenken mogen houden. Henk werpt me een dankbare blik toe, hij zou het zelf niet gevraagd hebben. De aanwezige secretaresse noteert het huisadres van Henk’s ouders en belooft de spullen op te sturen als Davy’s enige zus, die in Canada woont, daar toestemming voor geeft. Zodra wij onderweg zijn naar Nederland wordt zij op de hoogte gebracht. 

Twee dagen later vliegen we businessclass naar Amsterdam. Onze weinige bagage en het kratje met inhoud past precies in een weekendtas die meegaat als handbagage. Het kratje dat zo belangrijk is geworden, kan op het eind van de reis niet zoekraken als we er zelf over waken. Weggezakt in een comfortabele vliegtuigstoel kijk ik naar de man die naast me ligt te dommelen. Ik zou een jaar geleden niet gedacht hebben dat ik met de minst charmante collega zo vertrouwd zou raken. Gisteravond kwamen we in een diepzinnig gesprek tot de conclusie dat we vrienden voor het leven zijn geworden en elkaar niet meer loslaten. Henk ziet ons in een groot huis wonen met één voordeur met daarachter een eigen en gezamenlijke leefruimte. Ik vind het een aantrekkelijke gedachte.

Beste trouwe lezers, volgende week volgt de slotaflevering.

donderdag, maart 31, 2022

Ik vertrek 18

Ik word wakker van een monotoon dreunend geluid en klaterend water.
Even weet ik niet waar ik ben, dan herken ik de hut en zie dat het bed aan de andere kant leeg is. Het klaterende water stroomt in de douchecabine waar Henk zich staat te schrobben. De stiekemerd is er muisstil tussenuit geknepen. Het dreunen komt van de scheepsmotor, we varen! De crackers en de lege bekers zijn verdwenen. Met een handdoek om zijn heupen komt Henk uit de cabine. ‘Wakker? Jij hebt gedaan wat ik op mijn wensenlijstje had, een gat in de dag slapen, ik haal die schade nog wel in. Voorlopig varen we en kunnen we geen kant op. Dokter Clarck was hier vanmorgen al vroeg met crackers en thee. Hij was niet erg te spreken dat we gisteravond niets hebben gegeten. Ik heb hem uitgelegd dat we na het drinken van de warme thee domweg zijn omgerold. Omdat jij zo diep lag te slapen heeft hij jouw ontbijt weer meegenomen. We worden in de longroom verwacht, daar zal commandant Forster ons bijpraten. Kom, ga douchen en hijs je in een charmante overall.’
‘Henk, volgens mij klets je over het afscheid van het eiland heen, hoe ging het daar? Het spijt me dat ik niet wakker was toen je terugkwam.’
‘Geeft niet, het gaf mij de gelegenheid om mezelf weer in de hand te krijgen.
Ik heb de bemanning de letters gewezen en daarna heb ik het filmrolletje met 24 opnames volgeschoten. Bij het graf van Davy heb ik de laatste opnames gemaakt en heb daar op ze  gewacht. Het is goed zo. Het rolletje bewaar ik in de survival kit, dat laat ik in Nederland ontwikkelen.’

Zelfs de kleinste maat overall is me te groot. Ik rol mouwen en broekspijpen op en met een stuk touw uit het kratje om mijn middel geknoopt, maak ik het enigszins op maat. De zware schoenen verruil ik voor mijn sandalen.
We maken onze opwachting in de longroom. De kok brengt twee bakjes volle yoghurt met muesli en twee bekers melk. De komende dagen staan we op een eiwitrijk dieet. Clarck wil ons het liefst ook veel vers fruit laten eten, maar hij kan zich voorstellen dat we daar de neus van vol hebben dus daar is hij minder streng op. We hoeven maar te vragen en we worden bediend.
Verder heeft hij een licht bewegingsschema bedacht waarvoor we de fitnessruimte kunnen gebruiken. Vooral niet overdrijven is zijn advies, onze lijven en geest moeten weer aan het normale leven wennen. Hij waarschuwt voor teveel prikkels, snelle vermoeidheid ligt op de loer en emoties zullen niet uitblijven. Hij raadt ons aan tijdens de zesdaagse vaart naar Devonpoort veel rust te nemen. 

Commandant Forster vertelt wat er een klein jaar geleden waarschijnlijk met het onderzoeksschip is gebeurd. Het lijkt alsof er een ernstige navigatiefout is gemaakt, het schip is hoe dan ook op een klip gelopen en opengescheurd. Het maakte zo snel water dat alle noodsignalen ten spijt er geen redden aan was. Na een intensieve zoektocht is nagenoeg niets van het schip teruggevonden en bij sonarpeilingen is gebleken dat het op de bodem van de oceaan ligt.
De melding vanuit een vliegtuig van S.O.S. tekens op het onbewoonde eiland heeft voor deze reddingsactie gezorgd. Henk onderbreekt het relaas om te vertellen dat na een storm het lichaam van de kok is aangespoeld en dat hij hem op het eiland heeft begraven. Forster zegt dat de bemanning daar vanmorgen na terugkomst melding van heeft gemaakt. Hij zal de aanwezigheid van het lichaam van Davy in zijn rapportage moeten melden.
Er wacht ons een scala aan formaliteiten, te beginnen met een uitgebreide screening in het Marine hospitaal. Daarna worden we overgedragen aan de Nederlandse ambassade die alle zaken verder zal begeleiden. De eigenaar van het vergane schip zal ons zeker willen spreken. De nabestaanden van Davy moeten worden ingelicht. Tot nu toe is onze redding niet aan de grote klok gehangen en hij adviseert dat voorlopig zo te laten. ‘U loopt het risico dat u sneller voor goud geld bij Oprah Winfrey zit, dan dat uw ouders u in hun armen sluiten. De vraag is wanneer lichten we uw familie in? Bespreek dat samen. Realiseert u zich dat u niet van ze kunt verlangen het grote nieuws voor zich te houden tot u in Amsterdam landt en daar bent u voorlopig nog niet.  Als u voet op Nederlandse bodem heeft gezet is er van achteroverleunen geen sprake. Uw leven zal de eerste weken flink op zijn kop staan. U gaat nog terugverlangen naar dat eiland.’

De zakelijke toon van het eenzijdige gesprek voorkomt niet dat Henk en ik geëmotioneerd raken. We zitten er compleet doorheen. Het is bijna een jaar lang gelukt de gedachten aan onze collega’s en de bemanning op dat ongelukkige schip te verdringen, maar nu staat het drama in zijn volle omvang in ons op. Clarck vindt het genoeg geweest, hij brengt ons naar ons onderkomen. ‘Neem de tijd, ik kom af en toe bij u kijken.’

Op een tafeltje staan glazen en kannen met drinken. Ik schenk water in voor ons twee en plof op mijn bed. ‘Wat een bizarre situatie, iedereen denkt dat we op de bodem van de oceaan liggen, maar we staan binnenkort in levenden lijve op Schiphol.’

donderdag, maart 24, 2022

Ik vertrek 17

Ik word wakker door een fel lichtschijnsel in een van mijn ogen en schud met mijn hoofd om het kwijt te raken. ‘Ha, gelukkig u bent er weer’, zegt de jonge man in het witte uniform. ‘Ik ben dokter Clarck, scheepsarts bij de Nieuw-Zeelandse marine. Ik heb met hulp van een collega die uw taal een beetje spreekt mijn best gedaan u in het Nederlands welkom te heten, maar de voertaal aan boord is Engels, gaat dat lukken?’ Ik knik. ‘Vanaf nu valt u beiden wat gezondheid betreft onder mijn verantwoording.'
Aan de andere kant van het bed in de ziekenboeg staat Henk, hij streelt mijn haar dat vol klitten zit. ‘Je hebt ons de stuipen op het lijf gejaagd, maar complimenten voor je glorieuze entree op dit schip.’

Dokter Clarck legt uit wat zijn bedoeling is. Voor ons beiden een kort lichamelijk onderzoek. Gewicht, bloeddruk, eenvoudig bloedonderzoek en een ECG, daarna douchen, een lichte maaltijd en voor de rest van de nacht slapen. Afhankelijk van zijn bevindingen stippelt hij voor de dagen dat we op zee zijn een programma uit om alvast aan conditieverbetering te werken. Dokter Clarck wil ons het liefst een nacht in de ziekenboeg houden, maar Henk weet hem te overtuigen dat we een jaar op een onbewoond eiland zonder controle hebben overleefd. Ik ben blij dat Henk en ik bij elkaar blijven. Maar het meest verheug ik me op een langdurige warme douche. Tot mijn teleurstelling vindt de dokter lang douchen te vermoeiend voor me. Ik mag douchen in onze hut onder voorwaarde dat Henk op wacht gaat zitten. Hij waarschuwt me voor mijn eigen spiegelbeeld. Ik vermoed dat Clarck bang is dat ik van die aanblik weer voor de vlakte ga. Hij heeft geen ongelijk want ik ga van schrik al bijna onderuit als ik mijn gewicht op de weegschaal zie. Ik weeg amper 50 kilo, ons verblijf op dat eiland had niet lang meer moeten duren. Mijn bloeddruk is, zoals te verwachten was, aan de lage kant, maar gelukkig laat het ECG geen afwijkingen zien. Voor Henk pakt het allemaal wat gunstiger uit, zijn spiermassa is door de trainingen in de bush niet helemaal weggevallen, maar ook hij heeft niet veel vet meer op de botten. Beiden hebben we bloedarmoede waarvoor we de komende dagen al medicijnen krijgen. In Devonport, de thuishaven van de marine, wordt bekeken of we met een litertje bloed worden bijgetankt. Clarck brengt ons naar de hut, waar stapeltjes ondergoed en grijze overalls klaarliggen. Het vertrouwde kratje staat in een hoek. De dokter wijst op twee grijze badjassen. ‘Trek die straks aan, ik ben over een uur terug met wat eten en drinken, daarna kunnen jullie slapen.’ 

Daar staan we dan in een hut van een patrouilleschip. ‘Frida laat me je nog een keer knuffelen voor je uit de kleren gaat, we hebben dit avontuur overleefd. De marine heeft het goed begrepen dat ze ons bij elkaar in een hut hebben gezet. Voorlopig kan en wil ik nog niet zonder je. Terwijl jij je uitkleedt, laat ik de douche op temperatuur komen.’
Al bij de eerste warme waterstralen krijgen de emoties me te pakken. Samen met het weldadige water spoelen de tranen over mijn wangen. Snikkend probeer ik de klitten uit mijn stugge haar te ontwarren en laat de shampoo langs mijn knokige lijf afglijden. Het gebeuren waar ik als een feestje naar had uitgezien wordt een emotionele achtbaan. Hondsmoe draai ik na vijf minuten de kranen dicht en vraag Henk met verstikte stem een handdoek aan te reiken. Hij stapt de cabine in en slaat zonder iets te zeggen een badlaken om me heen en brengt me naar de rand van het bed.  ‘Kom eerst maar even bij. Het is niet niks wat er allemaal gebeurt, bereid je er maar op voor dat dit je de komende tijd vaker overkomt. Ik merk dat het mij ook niet onberoerd laat.’
We zitten een tijd zwijgend op de bedrand en komen pas in beweging als we het druppen van water uit mijn natte haren op de vloer horen. Ik kom overeind om een handdoek om mijn hoofd te wikkelen. Henk grijnst. ‘Zo kom je me weer bekend voor.’ Terwijl ik me verder afdroog, stapt Henk onder de douche. Een gevoel van jaloezie  overvalt me als ik hem na een paar minuten zacht hoor neuriën.

Met een bescheiden klop op de deur meldt dokter Clarck zich. Achter hem staat een bemanningslid met een dienblad met voor ons elk twee crackers en een kop dampende thee. Clarck wil dat we voor de nacht met rust worden gelaten. Eten in onze hut en slapen is de opdracht. Morgen zal hij Henk op tijd wekken om mee te gaan naar het eiland, hij hoeft alleen maar aan te wijzen waar de noodkreten liggen. Omdat de commandant zo weinig mogelijk tijdsverlies in zijn vaarschema wil, gaan drie mannen mee om de letters op te ruimen. Als hij wil kan Henk nog snel wat foto’s van het eiland maken. Natuurlijk wil Henk voor zichtbare herinneringen zorgen. We drinken met kleine slokjes van de warme thee die een loom makende uitwerking heeft.
De crackers blijven onaangeroerd op de bordjes liggen. Voor ik in slaap val hoor ik Henk vanuit zijn bed nog net mompelen: ‘Ik maak een mooie cover voor je boek.’

donderdag, maart 17, 2022

Ik vertrek 16

Tergend langzaam komt een schip in de richting van het eiland varen.
Het seinen is gestopt. Blijkbaar zijn ze aan boord tot de conclusie gekomen dat wij begrijpen dat redding nabij is. Zittend op het rotsblok wachten we op de dingen die gaan komen. Het krat staat achter ons in het zand. Onze schamele bezittingen worden afgedekt door de gehavende kleding van Davy. Henk heeft niet de bedoeling de laatste herinneringen aan zijn lief achter te laten. Opeens schieten mij de noodkreten die we gelegd hebben door mijn hoofd. Ik vraag me af of we die moeten vernietigen, stel je voor dat ze blijven liggen en gespot worden, met het risico dat een vergeefse reddingsactie wordt ondernomen. Henk is niet van plan voor een tijdrovende klus het eiland nog een keer te ronden. Hij wil klaar staan om de redders te verwelkomen. We besluiten het noodbericht dat het dichtstbij ligt aan te pakken. Terwijl we bezig zijn de stenen en schelpen zo uit elkaar te halen dat de letters SOS niet meer te lezen zijn, kunnen we de bewegingen van het schip in de gaten houden. Hoewel bestrijding van plastic ons reisdoel was laten we het gekleurde afval liggen. Er zal hier in de loop der tijd wel meer rotzooi aanspoelen. Het werk kost me veel energie. De laatste dagen raak ik steeds vaker buiten adem. Hijgend en doodmoe val ik neer op het rotsblok. Met een bezorgd gezicht kijkt Henk naar me. ‘Het wordt tijd dat we gered worden, jouw conditie gaat achteruit. Je klaagt niet, maar ik heb het heus gemerkt. Het zal mij niet verbazen dat je een flinke bloedarmoede hebt. Ondervoed zijn we in elk geval.’ 

Inmiddels kunnen we onderscheiden dat een grijze patrouilleboot voor anker gaat. Dat betekent dat niet een of andere viskotter is gewaarschuwd, maar dat er een georganiseerde reddingsactie op touw is gezet. Henk mompelt: ‘Ik hoop niet dat ze de Chinese marine op ons af hebben gestuurd, dat communiceert nogal moeilijk.’ Zelf heb ik daar geen seconde aan gedacht. Chinezen, Japanners het zal mij een zorg zijn wie ons oppikt. Als ze er maar zijn voor het donker wordt.

Rusteloos loopt Henk op en neer langs de vloedlijn. Voor zover wij op deze grote afstand kunnen zien is er op en rond het schip geen beweging. Misschien staan ze op de brug ons te bespieden met een verrekijker. Even bekruipt me de angst dat ze ons alsnog achter zullen laten. Dan klinkt er een scheepshoorn en krijgen we een boot in het vizier die met grote snelheid op ons af stuitert. Schuimend spat het zeewater op. ‘Ah, ze sturen een RHIB’, zegt Henk. ‘Vrij vertaald, een opblaasbare boot met buitenboordmotor.’
‘Ik hoop niet dat ze ons zo stuiterend naar dat schip varen.’ Ik hoor de bibber in mijn stem. Henk komt naast me zitten en slaat een arm om me heen. De spanning in zijn lijf is duidelijk voelbaar.  ‘Niet bang zijn, die lui weten heus wat ze doen. Je hebt de afgelopen maanden voor heter vuren gestaan.’ Dicht tegen elkaar wachten we staand op het strand de landing van de rubberboot af die snelheid terugneemt en tenslotte half in het water en half op het zand tot stilstand komt. Henk haalt opgelucht adem. ‘Nieuw-Zeelandse marine.’

Twee gehelmde mannen in oranje pakken met zwemvesten aan klimmen van boord en komen met uitgestoken hand op ons af. De spanning wordt ons allebei te veel huilend begroeten we onze redders. Ze laten de emoties over zich komen en wachten rustig af tot we onszelf weer onder controle hebben. Dan begint het vraag en antwoord ritueel. Wie we zijn, uit welk land we komen, hoe we hier zijn beland en hoe lang we op dit eiland zitten. Natuurlijk zijn ze op de hoogte van het onderzoeksschip dat is vergaan, daar zullen we de komende dagen alle details over horen. We zijn gered doordat de noodkreten in het zand door een passagier in een vliegtuig zijn opgemerkt. Daarna volgde al snel de verkenningsvlucht met gevolg dat we nu oog in oog staan met een deel van de bemanning van het patrouilleschip. De mannen willen ons zo snel mogelijk aan boord brengen voor een kort medisch onderzoek. Daarna mogen we een nacht slapen en morgen willen ze met ons terug naar het eiland om de noodkreten op te ruimen. Nu is daar met de invallende duisternis geen tijd meer voor. Ik ben blij met die gang van zaken, dan kunnen we ook op het graf van Davy wijzen. Het krat wordt op de bodem van de boot gezet en nadat de reddingsvesten om onze magere lijven zijn bevestigd varen we in stevig tempo, maar niet stuiterend, naar het patrouilleschip. Een bemanningslid ondersteunt me als ik op de valreep stap, Henk volgt vlak achter me. Aan het eind staat de commandant ons op te wachten, naast hem een jongeman in een wit uniform.
Ik hoor nog net: ‘Welkom aan boord.’ Het wordt zwart voor mijn ogen, ik voel dat Henk me opvangt, dan gaat bij mij het licht uit.

donderdag, maart 10, 2022

Ik vertrek 15

Om de zee rondom het eiland goed in de gaten te houden lopen we, sinds het vliegtuig overkwam, meerdere rondes per dag. Er heerst een soort spanning in ons alsof er elk moment iets kan gebeuren. Maar na elke dag die zonder ophef verstrijkt raken we minder opgewonden en na zes dagen vallen we terug in oude patronen.

Om de verveling de baas te blijven begint Henk eenvoudige houten ornamentjes te snijden. Ik verzamel schelpen waar ik met het zakmes van Henk kleine gaatjes in boor. Met gekleurd, uitgeplozen touw rijg ik kettingen en armbanden. Spottend zeggen we tegen elkaar dat het prachtig materiaal is voor de rommelmarkt. ‘Of we geven het cadeau bij de aanschaf van het boek.’ zeg ik. ‘Ik zie ons wel achter een signeertafel zitten bij een boekhandel met ernaast een plateautje met gesneden beeldjes en kettingen.’ Ik verzwijg dat de bodem van het inktpotje in zicht komt. Om inkt te sparen schrijf ik niet meer dagelijks. Als we niet snel worden gered moet ik het eind van het boek uit mijn geheugen opdiepen.
Henk grijnst. ‘We zouden de productie kunnen opvoeren, maar voorlopig zitten we hier zonder klandizie op een rotsblok.’ Achteloos gooit hij een scheef uitgevallen cactus in het krat en pakt een nieuwe tak om te bewerken. 

Terwijl Henk aandachtig zit te snijden, gluur ik stiekem naar hem. Zijn dorre haar piekt alle kanten op. Wonderbaarlijk hoe hij met zijn grote handen, die de afgelopen maanden steeds ruwer zijn geworden, een klein kunstwerkje tevoorschijn tovert. Ik weet niet wat ik moet denken. Meent hij wat hij zegt of neemt hij me in de maling. Ik pak het voorwerpje op. ‘Thuis heb ik zo’n dingetje staan, aangeschaft tijdens de vakantiereis in de VS, dezelfde reis waarin ik walvissen spotte. Ik kocht ook een fijn gesneden indianenhoofdje dat ze kitscherig op een kurk hadden geplakt, die heb ik er afgesneden. Ik ben benieuwd of die souvenirtjes bewaard zijn gebleven.’
‘Frida, ik ben noodgedwongen beginnend houtsnijder, eerst die cactus onder de knie krijgen, het fijne werk komt later. Eerlijk gezegd hoop ik er de tijd niet voor te krijgen. Ik kom liever met een handvol houten cactussen thuis die ik in kleine kring kan uitdelen. Misschien houd ik er zelf een als aandenken en als die van jou naar de kringloop is gegaan krijg je van mij een nieuwe.’
Henk legt zijn mes weg. ‘Kom, het is tijd voor een ontnuchterende wandeling. De keiharde werkelijkheid dat er geen schip te bekennen is houdt ons meer met beide voeten in het zand dan dromen over boeken en signeersessies. Daar krijgen we, vrees ik, nog lang genoeg gelegenheid voor.’

In traag tempo lopen we langs de vloedlijn. Er is geen vliegtuig of schip te bekennen. Aan de rand van de bush vul ik het netje met vruchten voor het eten. Het eenzijdige menu van zeevruchten en tropisch fruit komt ons onderhand de neus uit, maar iets anders is niet voorradig. Aan gevogelte van het eiland hebben we ons na een geroosterde halsbandparkiet niet meer gewaagd: te weinig en taai vlees op de botjes. Zoals gewoonlijk eindigt de rondgang bij het graf van Davy. Terwijl Henk nog een trainingsrondje in de bush doet zet ik koers naar ons bivak. In kleine letters schrijf ik een ultra kort verslag van de dag.

Daarna kruip ik op een rotsblok en tuur ingespannen over de spiegelgladde zee naar de horizon. De zon zorgt voor een lastige lichtweerkaatsing. Ik ben er niet blij mee, het zal me niet nog eens gebeuren dat ik een belangrijke waarneming mis. Langzaam beweeg ik mijn hoofd van links naar rechts en terug. Verbeeld ik het me of zag ik echt een korte lichtflits. Ik blijf turen naar het punt waar ik het licht dacht te zien en wacht tot het zich herhaalt. Even later zie ik het weer, twee keer achter elkaar. Uitgerekend nu is Henk bezig met zijn conditietraining. Ik durf mijn uitkijkpost niet te verlaten hoewel ik vermoed dat op deze afstand en met de schittering van het water mijn spiegeltje niet veel uithaalt probeer ik toch signalen af te geven. Nu zie ik drie korte lichtflitsen en weet ik het zeker: er wordt geseind. Wanhopig blijf ik het primitieve spiegeltje gebruiken, of het een antwoord is weet ik niet, maar de lichtflitsen blijven komen. Ik waag de gok om het kookblik en een houten lepel te halen. Staand op het rotsblok ram ik als een bezetene op mijn tamtam om Henk te waarschuwen. Af en toe stop ik even om het spiegeltje te hanteren.
Ik ben als de dood dat het seinen vanuit zee stopt als ik de lichtflitsen niet beantwoord. Achter me hoor ik Henk hijgend uit het bos komen. Ik hoef niets te zeggen hij heeft het al begrepen. Juichend omhelst hij me. ‘Ze hebben ons gezien, we zijn gered. Blijf seinen dan verzamel ik onze spullen in het krat. Het duurt wel even voor de redders voet aan wal zetten, maar vannacht slapen wij in een gewoon bed.’ De stip aan de horizon verandert langzaam in de contouren van een schip. 

donderdag, maart 03, 2022

Ik vertrek 14

Gelukkig heeft Henk het brommende geluid wel gehoord. Schreeuwend komt hij aanhollen. ’Een vliegtuig, er komt een vliegtuig over.’ Hij rukt me het spiegeltje uit handen en neemt rechtopstaand het seinen over.  Ik trek de tulband van mijn hoofd en begin naast hem als een razende met de handdoek te zwaaien als het vliegtuig in zicht komt. Henk smijt het spiegeltje van zich af, scheurt de handflare van zijn riem en staat het volgende moment als een Vrijheidsbeeld met de rokende fakkel boven zijn hoofd. Een log grijsgekleurd vliegtuig vliegt ons eiland voorbij. Zwijgend staren we het na. Met een driftig gebaar gooit Henk de uitgerookte fakkel in het zand. ‘Dit was onze enige kans, als ze ons gezien hebben komen ze vast terug, maar draaien kost tijd.’
We blijven het vliegtuig nakijken. Ik verbeeld me dat het steeds kleiner wordt. Mijn ogen vullen zich met tranen, het liefst zou ik nu krijsend van ellende in het zand zakken, maar ik realiseer me dat ik met een hysterische huilbui de stemming niet verbeter. Henk blijft gespannen turen. ‘Frida, kijk die bak ligt in een bocht, het verandert van koers. Hij komt terug.’
Henk heeft zijn hoofdbedekking ook losgemaakt. Zwaaien met de handdoeken is ons laatste redmiddel. Het logge gevaarte vliegt te hoog om iets van de cockpit te onderscheiden, maar het vliegt recht over ons heen, de bemanning moet ons gezien hebben. Gespannen wachten we een volgende vlucht boven ons hoofd af, het vliegtuig laat zich niet meer zien. Ik vis het spiegeltje uit het zand, we zullen het waarschijnlijk nog lang nodig hebben. 

Verslagen zitten we op een rotsblok, de handdoeken als stille getuigen tussen ons in. Ik vraag me af wat voor soort vliegtuig het was. Als het een passagiersvliegtuig was geweest had het vast geen bocht genomen om daarna op een andere koers te verdwijnen. Henk vermoedt dat het een verkenningsvliegtuig was, hij heeft geen idee van welk land het afkomstig is. Dat zou kunnen betekenen dat de noodsignalen op het strand toch zijn opgepikt en dat er na vandaag misschien een schip wordt gestuurd. Dat we met ons eiland niet aan een drukke zeestraat liggen is wel duidelijk geworden. Het enkele vaartuig dat we af en toe zien is niet meer dan een stip aan de horizon. Er rest ons niets dan afwachten en het overleven voort te zetten. 

’s Avonds bij het opgeporde kampvuur beschrijft Henk het scenario van een redding via zee, want een andere oplossing is er niet. Ik huiver, angstzweet breekt me uit bij de gedachte dat ik weer aan boord moet van een soortgelijk schip als waarmee we zijn vergaan. Henk merkt het op. ‘Frida, heb je nou echt gedacht dat de redding van een luxe cruiseschip zou komen? Een groot zeeschip kan hier niet even voor anker gaan om een paar drenkelingen op te pikken. Zelfs een kleiner schip moet op afstand blijven wil het niet vastlopen. Bereid je er maar op voor dat ze ons met een reddingssloep oppikken en dat je via een touwladder aan boord moet zien te komen. Daarna zitten we waarschijnlijk nog dagen op zee en liggen we weer doodziek in een hut.
Maar alles is beter dan hier zonder enig perspectief nog jaren te moeten zitten tot we doodgaan. Sinds ik dat vliegtuig zo nadrukkelijk heb gezien begin ik in een redding te geloven. Vanaf vandaag ga ik dagelijks naar Davy, want iedere dag kan de laatste zijn dat ik hem kan bezoeken. We doen er verstandig aan om de weinige bezittingen die we hebben bij elkaar te houden zodat we ze snel in het krat kunnen leggen. Het zou te zot zijn als we die op het laatste nippertje nog bij elkaar moeten zoeken. Je wilt toch niet dat je dagboeken hier achterblijven en ons avontuur op den duur onder het zand verdwijnt.’

‘Over die boeken zat ik vanmiddag zo diep na te denken dat ik het geluid van het vliegtuig miste. Op dat moment was er van een redding geen sprake, maar jij hebt zo overtuigend gepraat dat de media op ons zullen duiken, waarom zou een uitgever dan geen belangstelling hebben voor dat schrijven van mij.
Ik vroeg me serieus af of we niet moeten samenwerken om eventuele verdiensten eerlijk te verdelen. Meestal geven die lui een voorschot daar kunnen we dan een tijdje van leven voor we het boek afleveren.’
‘We? Hoe zie je dat voor je? Er zijn weinig schrijvers die volledig van hun boeken kunnen leven. Een paar weken geleden gaf je de indruk niet erg in een bestseller te geloven en nu kom je met een uitgever op de proppen.
In welk sprookje ben je al mijmerend beland?
De te grote schoenen van Davy aan je voeten lijken wel zevenmijlslaarzen geworden.’
‘Henk, ik meen het echt. Robinson Crusoe wordt ook nog altijd gelezen.’

donderdag, februari 24, 2022

Ik vertrek 13

Door vaste patronen te volgen lijkt de drang tot overleven steeds gewoner te worden en kunnen we onze gedachten meer de vrije loop te laten. Sinds de vondst van de handflare beginnen we na te denken over het leven na ons verblijf op het onbewoonde eiland. ‘Wat zou jij als eerste doen, als we worden gered?’ vraagt Henk. Ik aarzel geen moment met een antwoord. ‘Op zoek gaan naar een normaal toilet.’ Hij schiet in de lach. ‘Het is wel duidelijk dat jij nooit bij de scouting hebt gezeten, daar was de Hudo, oftewel een gat in de grond, niets bijzonders als je op kamp was. Hudo is de afkorting voor Houdt Uw Darmen Open. Het maakt mij niet uit hoe klein de hut is op het schip dat ons komt redden, ik zou vies en wel op bed gaan liggen om een etmaal te slapen. Hoe vers ik mijn zandkuil ook maak echt comfortabel ligt het niet. Wat zou ik graag een dekbed over me heen trekken.’
Zelf mijmer ik over een warme douche, gewassen haren en geschoren oksels. Als ik hardop over boerenkool met worst begin, helpt nuchtere Henk me uit de droom door te zeggen dat we wat eten betreft na een eventuele redding waarschijnlijk eerst op dieet moeten om onze maag weer te laten wennen aan zwaardere kost.

We vragen ons af hoe het thuis zal zijn. Wordt er nog naar ons gezocht? Zijn we als vermist opgegeven of heeft de familie zich al neergelegd bij het idee dat we verdronken zijn? Volgens Henk mogen ze ons pas dood laten verklaren na vijf jaar vermissing en daar is nog geen jaar van om. Met een ernstig gezicht schetst hij een somber beeld. ‘Mochten we in de komende vier jaar gered worden dan betekent dat nog niet dat we bij terugkomst in Nederland ons leven zomaar weer kunnen oppakken. We keren zonder identiteitspapieren en baan terug in de bewoonde wereld. Het enige wat we hebben is een avontuurlijk en voor de buitenstaander misschien wel ongelooflijk verhaal. Nog voor we ergens voet aan wal zetten is onze redding wereldnieuws en gaan beelden van ons de wereld over. Tegen dat we op Schiphol aankomen zijn we publiek bezit en als we niet oppassen een speelbal voor de media. Zie je het voor je, familieleden met ballonnen en bloemen en het NOS journaal om het emotionele weerzien te filmen. Hopelijk sluit mijn vader onder het oog van Neêrlands volk zijn verloren gewaande zoon liefdevol in de armen, dan is dit verblijf niet voor niets geweest. Hoewel ik nog moet zien wat hij gedaan zou hebben als ik met Davy in de ontvangsthal had gestaan. Het heeft geen zin daarover te speculeren. De kans is groot dat jouw aanwezigheid mijn ouders op het verkeerde been zet en moet ik opnieuw uitleggen hoe het zit. Nou ja, zoals het er nu uitziet zijn we voorlopig nog geen wereldnieuws. Niks zacht bed en een normaal toilet.’
Ik schrik van zijn stemming die gaandeweg zijn relaas meer lijkt om te slaan. Het cynisme ten aanzien van zijn vader treft me. Voor ik er iets kan zeggen staat Henk op. ‘Ik ga even naar Davy.’ Met afgezakte schouders en hangend hoofd loopt hij bij mij vandaan. Onze eventuele reddingsboei bungelt aan zijn broeksriem. En dan begrijp ik het. Gered worden betekent voor Henk opnieuw afscheid nemen van zijn grote liefde.

Tijdens Henk zijn afwezigheid sein ik een tijdje met het spiegeltje noodsignalen uit. Ondertussen denk ik aan mijn flatje in Wageningen, waarvan de huur inmiddels wel is opgezegd. Mijn moeder en mijn broer zullen zich ontfermd hebben over mijn huisraad. Mijn moeder kennende heeft ze vast plaats gemaakt voor mijn boeken en kleine dierbare spullen en is niet alles naar de kringloop gebracht. Aan mijn werk voor de Universiteit van Wageningen wil ik nog niet denken. Ik heb mijn buik vol van wetenschappelijk onderzoek, hoewel overleven op een onbewoond eiland een interessant onderzoeksgebied zou zijn. Nee, als we voet op Nederlandse bodem zetten concentreer ik me eerst op het dagboek. Als het gaat zoals Henk heeft voorspeld over opdringerige media, is er ongetwijfeld een uitgever die daar brood inziet. Wie weet wordt Henk zijn idee van een bestseller bewaarheid en brengt het gedwongen avontuur ons brood op de plank. Want dat Henk zal delen in een eventueel succes staat voor mij als een paal boven water. Ik kan me niet meer voorstellen dat ik in eerste instantie niet blij was dat uitgerekend hij opdook. Ik realiseer me wel degelijk dat ik zonder Henk gillend gek was geworden en dat ik in mijn eentje dit eiland niet had overleefd. Voor mijn part blijven we vrienden voor het leven en sluiten we een samenwerkingsovereenkomst. Verdiept in mijn gedachten ontgaat me een zacht brommend geluid in de verte.

donderdag, februari 17, 2022

Ik vertrek 12

De eenzijdige voeding begint geleidelijk zijn tol te eisen. Aan onze spiermassa is te zien dat het gebrek aan eiwit ons parten speelt. Om de conditie enigszins op peil te houden lopen we dagelijks een flinke ronde over het eiland en controleren meteen of de noodsignalen nog intact zijn. Drie keer per week doet Henk een extra training in de bush. Een keer vergezel ik hem daarbij, maar ik bezorg hem meer last dan me lief is. Het geklauter over de omgewaaide bomen kost me meer energie dan dat het oplevert. Zwemmen is beter voor me, hoewel dat ook niet zonder gevaar is. Nadat ik op een zee-egel ben gestapt verricht Henk intensief en pijnlijk peuterwerk aan mijn voetzool. 

Ik beleef opnieuw iets soortgelijks uit mijn jeugd en vertel Henk van de vakantieweek die ik in Paterswolde doorbreng. Ik ben een jaar of tien als ik samen met mijn broer en moeder bij familie logeer. In mijn herinnering is het prachtig weer en zwemmen we dagelijks in het meer aan de overkant van de straat. Op een dag boort zich vanaf een houten vlonder een splinter in mijn grote teen. Er steekt nog een klein puntje naar buiten. Mijn moeder diept uit haar badtas een veiligheidsspeld op en gaat het stuk hout, want dat het is in mijn beleving, voortvarend te lijf. Niet vrij van theater laat ik luidkeels de badgasten om ons heen weten dat hier iets ernstigs gaande is. Mijn moeder stijgt het schaamrood naar de kaken en ze knijpt extra hard in de teen en sist: ‘Frida, stel je niet zo aan, zo erg is het niet.’ Ik denk er anders over en doe er nog een schepje bovenop. Het gevolg is dat mijn moeder haar operatie staakt en mij met een nijdig gebaar de veiligheidsspeld in handen duwt, ik moet de klus zelf klaren. Aan het meer keert de rust terug en ik zit geruime tijd in een onhandige houding om de splinter in kleine stukjes uit mijn teen te pulken. Tot mijn teleurstelling blijft er weinig van het stuk hout over en kan ik het niet aan mijn oom en tante laten zien. Henk grinnikt. ‘Van mij  mag je gerust het eiland bij elkaar jammeren er is hier niemand die mij het schaamrood op de kaken jaagt, maar eigenlijk is het niet meer nodig. Door je te concentreren op je verhaal lag je er ontspannen bij, ik ben bijna klaar.’
Bang voor een infectie zit ik even later op een rotsblok met mijn voet in het bijtende zoute zeewater om de wondjes schoon te spoelen. Een zwachtel uit de kit en de sokken van Davy voorkomen dat de voet gaat ontsteken. Het duurt een paar dagen voor we weer samen een ronde kunnen lopen. Ik voel me een blok aan het been van Henk, maar die vindt het gebeuren onder het hoofdstuk “wondbehandeling” interessante bladvulling voor het dagboek. Voortaan zwem ik met mijn sandalen aan.

Tussen de bedrijven door hanteert Henk zijn Zwitsers zakmes om ons servies uit te breiden. Naast het ene kroesje dat we hebben heeft hij uit een plastic fles een tweede bekertje gesneden. Met eindeloos geduld is hij dagen bezig om uit een dikke tak twee plankjes, als bordjes, te snijden die hij met een glasscherf glad schuurt. Ook voor de persoonlijk hygiëne doet het multifunctionele mes dienst. Hoewel onze nagels steeds vaker spontaan afbrokkelen houden we ze ultrakort met het schaartje en de vijl die onderdeel van het zakmes zijn. Henk trimt zijn baard met behulp van het schaartje en het seinspiegeltje. Om klitten te voorkomen houden we met de grote schaar uit de kit elkaars haar kort. Alle moeite ten spijt gaan we er steeds taniger uitzien. Soms heb ik een nachtmerrie en droom ik dat onze tanden een voor een uitvallen. 

En dan, op een ochtend raapt Henk langs de vloedlijn een rode koker op. Met verbazing zie ik hoe mijn doorgaans zo nuchtere makker uit zijn dak gaat. Als een voetbalsupporter van de winnende club springt hij op en neer. Juichend zwaait hij de gevonden trofee boven zijn hoofd. ‘Frida, dit staafje gaat ons redden. Het is een handheld flare, waarschijnlijk afkomstig van het vlot dat we hebben gevonden. Als je het dekseltje verwijdert geeft het gedurende een minuut oranje rook af. Vanaf een boot of vanuit een vliegtuig is dat goed zichtbaar. Met een beetje geluk vinden we er nog een.’ Zijn blijheid verraadt dat hij meer zorgen heeft over een eventuele redding dan hij tot nu toe laat blijken. Benepen vraag ik: ‘Denk je dat het nog werkt, nadat het weken in zee heeft gelegen?
‘Natuurlijk werkt het, die dingen zijn waterdicht, anders hebben ze toch geen zin. De koker moet voortaan altijd bij een van ons onder handbereik zijn. Zodra we een vliegtuig horen aankomen geven we het rooksignaal.’ Nauwgezet speuren we het strand af, maar die dag vinden we, behalve een stuk isolatiedeken dat te klein is om onder te slapen, niets meer van ons gading.

donderdag, februari 10, 2022

Ik vertrek 11

Een week na de storm hebben we de zaken weer aardig op orde. Droog materiaal om een vuurtje te stoken ligt voor het oprapen. Het eerste visje dat we roosteren is na alle fruit een streling voor de tong. Verspreid over het eiland liggen in totaal drie noodkreten om de buitenwereld te laten weten dat dit eiland inmiddels wordt bewoond. Mijn vage buikklachten zijn verdwenen, vermoedelijk is door de stress en de emoties die de storm heeft veroorzaakt mijn hormoonspiegel opnieuw op achterstand gezet, ik ben er niet rouwig om. Daarbij maak ik me over maandverband geen zorgen meer nadat Henk een groot badlaken heeft gevonden met het logo van een luxe cruiseschip. Ik knip een gedeelte van de dikke badstof aan stroken en leg ze in het krat bij de kleren van Davy die we als reserve bewaren. De vage herinnering aan de waslijn van mijn oma wordt verdrongen door het beeld van een corpulente passagier in een ligstoel op het zonnedek van het drijvende hotel. IJsklontjes tinkelen in zijn cocktailglas met een gifgroen drankje. Als hij het laatste slokje heeft weggewerkt staat hij op en hijst zijn voldane lijf op een barkruk. Het badlaken blijft achter in de ligstoel. Ik schud het beeld van me af en knip van de rest twee handdoeken die we kunnen gebruiken als we hebben gezwommen. Om onze hoofden tegen de felle zon te beschermen gaan ze overdag als tulband dienst doen. Opgerold zijn het ’s nachts prima kussens. Hebben wij even mazzel dat de bediening te laat was om de rommel van de rijke gast achter zijn gat op te ruimen.

Het grootste deel van de dag zijn we bezig met het zorgen voor eten. Van het ontrafelde touw heb ik een soort boodschappennet gevlochten dat we gebruiken om fruit te verzamelen. De gevangen vis houden we in het net tussen de rotsen een paar dagen vers. Het menu wisselen we af met alles wat de zee aan etenswaar heeft te bieden. Gekookte zeester is geen succes. Na het verwijderen van de stekelige huid blijkt de papperige substantie muf te smaken, maar kieskeurigheid is een luxe die we ons niet kunnen permitteren. Dat blijkt ook wanneer Henk op een strooptocht door de bush een nest met eieren vindt. Hij snoert de gewetensvolle bioloog in hem de mond en laat de gedachte aan de vogel die haar kroost voor een moment onbeschermd heeft achtergelaten niet toe. Opgebakken in een leeg olijfolieblik smullen we twee dagen achtereen van een omelet gevuld met mosselen en garnalen. Een bekertje geperst ananassap smaakt erbij als mierzoete witte wijn die ik thuis nooit zou drinken.

Op de momenten dat er niets te redderen is, overvalt me wel eens de angst dat we hier nooit meer vandaan komen. Om die onheilspellende gedachten de baas te blijven doen we spelletjes. Boter, kaas en eieren laat zich makkelijk in het zand uittekenen evenals galgje. We bedenken moeilijke woorden en om het spel extra lang te maken moet het poppetje dat komt te hangen kleren aan krijgen. 

In de hoop beter zichtbaar te zijn blazen we het kookvuurtje nieuw leven in als het donker wordt. Dat is ook het tijdstip dat we elkaar anekdotes uit ons leven vertellen waarvan ik in het dagboek kort verslag doe. Op een avond vertelt Henk dat zijn vader de geboorte van zijn eerste en naar later zal blijken, enige kind mist.
‘Mijn moeder heeft flinke weeën en staat dapper haar mannetje maar dat kun je van mijn vader niet zeggen. Rondjes lopend in de verloskamer werkt hij de verloskundige behoorlijk op de zenuwen. Hij sommeert mijn vader aan het hoofdeind van het bed te gaan zitten, waar zijn vrouw de zweetdruppels op het voorhoofd heeft staan. Hij zwabbert ongericht met de natte washand die hij in zijn handen krijgt gedrukt en na wat lauwe halen probeert hij voorzichtig de deur van de verloskamer te bereiken. Hij wordt deskundig onderschept en weer aan het hoofdeind van het kraambed geplant. Hij hoeft niet mee te kijken als hij dat niet durft maar zijn vrouw onder deze omstandigheden in de steek laten gaat de assisterende verpleegster in de kraamkamer te ver. Daadwerkelijke steun heeft mijn moeder van mijn aanstaande vader niet te verwachten. Bij de volgende perswee wordt het hem te machtig en glijdt hij langzaam van de stoel op de grond. Net op dat moment besluit ik ter wereld te komen. Terwijl mijn vader door de opgetrommelde hulp bij zijn positieven wordt gebracht, krijs ik de verloskamer bij elkaar.’ Henk valt even stil. ‘Ik realiseer me nu dat die ervaring misschien wel de reden is dat hij me nooit goed heeft gehoord. Daar moet ik nog eens over nadenken.’ 

De volgende morgen bij daglicht schrijf ik het verhaal van de landing van Henk  op aarde. Henk denkt dat het boek met levensverhalen en overlevingsrecepten een bestseller wordt. Ik geef het weinig kans zolang we op dit eiland vastzitten.

donderdag, februari 03, 2022

Ik vertrek 10

De volgende morgen is de zee weer net zo rustig als voor de storm. Het strand biedt een andere aanblik, er is meer troep aangespoeld dan we de afgelopen weken hebben gezien. We eten wat dadels en drinken het regenwater dat nog een beetje uit de struiken drupt. Na vandaag zal dat niet meer lukken. De zon zet het verdampingsproces met kracht in gang. Uit angst mijn schrijfspullen voorgoed kwijt te zijn doe ik het voorstel eerst een ander pad naar de grot te zoeken. Henk begrijpt het, maar wil zo snel mogelijk nieuwe noodkreten in het zand leggen. ‘Als de zon te hoog staat om op het strand te zijn ga ik inkt, pen en het boek waarin je bezig bent ophalen. In mijn eentje klauter ik sneller.’

Tevreden met de geboden oplossing beginnen we aan een zoektocht naar bruikbaar materiaal. Al snel ervaren we het gemis van het krat om een en ander in te verzamelen. Lege plastic flessen waarvan sommige fel gekleurd en verroeste blikken vullen we met zand ter verzwaring. Afgewisseld met stenen en schelpen leggen we een proefletter. De kleuren van de flessen doen de letter beter uitkomen tegen de zandige achtergrond. Als we de noodkreten van kleur willen voorzien moeten we met deze voorwerpen zuinig omspringen. Een ding is duidelijk, het gaat dagen duren voor we het eiland rond zijn. Alles wat we op dit stuk strand vinden en in onze armen kunnen houden verzamelen we op de plek waar de proefletter ligt. Ik ben de koning te rijk als ik grote stukken oranje rubber vind, dat is nog eens een opvallend kleurtje. Enthousiast zwaai ik er mee naar Henk die meters verderop gerafeld touw bij elkaar raapt.
Even verstrakt zijn houding, dan laat hij zijn buit vallen en komt naar me toe. Hij ziet bleek. ‘Dit zijn waarschijnlijk stukken van een reddingsvlot, wie weet heeft Davy er op gelegen, hij ligt niet ver hier vandaan begraven.’ Ik zie dat het hem aangrijpt en stel voor te pauzeren en samen het graf van Davy te bezoeken. Ik ben amper uitgepraat of Henk is al op weg. Mijn vermoeden dat Henk voor de kok gevoelens heeft ontwikkeld worden steeds sterker. Met opzet vertraag ik mijn tempo zodat hij even alleen kan zijn. Vanaf een afstandje zie ik dat hij tranen uit zijn ogen veegt. Ik heb met hem te doen, hij kan er maar beter over praten. Als ik naast hem sta vraag ik recht op de man af. ‘Hadden jullie samen iets?’ 
‘Is het zo duidelijk? Dat hadden we wel gewild, maar aan boord was het onmogelijk. De kapitein zou dat niet getolereerd hebben. Het is al tijdens onze zeeziekte ontstaan. Je hebt zelf ervaren hoe zorgzaam Davy was. We werden tot over ons oren verliefd en spraken af om werk van elkaar te maken zodra de expeditie was afgelopen. Ik kan je zeggen dat het loodzwaar was bij hem uit de buurt te blijven, maar ik wilde hem geen problemen bezorgen. ’s Avonds in mijn kooi fantaseerde ik dat Davy mee naar Holland kwam en dat we samen op Texel een bestaan zouden opbouwen. Ik heb hem dat nooit kunnen vertellen. Ik had me al verzoend met de gedachte dat hij een mooie herinnering aan deze reis was geworden. Kun je je voorstellen wat er gisteren door me heen ging toen ik hem vond. Huilend heb ik hem van zijn kleren ontdaan en heb hem daarna begraven. Ik nam me voor je voorlopig niets over onze verliefdheid te vertellen. Het was voorbij voordat het goed en wel was begonnen. Ik merk nu hoe prettig of het is om er wel over te praten. Ik ben blij dat je het weet.’  Ik sla een arm om zijn middel. ‘Praat over Davy zoveel je wilt.’ Henk zucht. ‘Dank je wel. Kom we gaan kokosnoten zoeken, het wordt tijd dat we iets drinken. Daarna gaan we aan de slag met de restanten van het reddingsvlot.’ 

We werken stug door en stoppen pas als het eerste S.O.S-bericht weer in het zand ligt. De oranje kleur zal vanuit de lucht goed opvallen. In een restant van een visnet verzamelen we zoveel mogelijk materiaal om morgen mee te nemen naar een andere plek om nog een bericht te maken. Als we weer vis kunnen vangen kan het dienst doen tussen de rotsen om de vangst een paar dagen vers te houden. 

Henk houdt zich aan zijn belofte en gaat terug naar de grot. De survival kit hangt als vanouds aan zijn schouder, dit keer heeft hij het visnet eraan vastgeknoopt, want hij is van plan ook de container met water mee terug te nemen. Ik denk op een schaduwrijke plek een kluwen touw te ontrafelen, maar word opgeschrikt door Henk zijn stem. ‘Wakker worden schone slaapster, hoog tijd om je dagboek bij te werken.’

donderdag, januari 27, 2022

Ik vertrek 9

We nemen de tijd om bij te komen van alle verschrikkingen. Ik schaam me diep dat ik de afgelopen vier weken alle gedachten aan ons team en de zes bemanningsleden van het onderzoeksschip heb weggedrukt. Nadat Henk het gevaar van haaien had opgevoerd was dat beeld te gruwelijk om bij stil te staan. Ook Henk heeft het onderwerp nooit meer aangeroerd. Maar met het aanspoelen van Davy Brown is er geen ontkomen meer aan. Zijn door de zee aangetaste kleding ligt als een stille aanjager van schuldgevoel tussen ons in.

Hardop vraag ik me af: ‘Hoe kan het dat nu pas een lichaam is aangespoeld terwijl jij en ik vier weken geleden levend het eiland hebben bereikt. Wat is er in die tussentijd gebeurd? We waren met tien mensen aan boord. Zitten we in zo’n uithoek van de wereld dat de lichamen van Davy en de anderen al die tijd niet zijn opgemerkt? Als ze al op zoek zijn, verkleint die wetenschap de kans dat we ooit worden gevonden.’ Henk reageert niet, hij zit als in een trance met het gehavende blauwe T-shirt van Davy in zijn handen. Voorzichtig stoot ik hem aan. ‘Heb je gehoord wat ik zei?’ Hij slaakt een diepe zucht en schudt zijn hoofd. ‘Nee, ik was helemaal ergens anders met mijn gedachten. Sorry, wat zei je?’ Nadat ik mijn woorden heb herhaald, oppert Henk dat er verandering van wind en stroming is geweest. Mogelijk heeft de naderende storm het lichaam van Davy alsnog richting het eiland gedreven. ‘Ik hoop dat het daarbij blijft, toen ik hem vond heb ik de gang rond het eiland niet afgemaakt. Eerlijk gezegd was me dat moment teveel, het zal een tijdje duren voor die aanblik van mijn netvlies is verdwenen en ik de echte Davy weer kan zien.’ Hij legt het shirt naast zich neer. ‘Ik heb iets belangrijks gevonden. Davy had een duikhorloge dat op zonnecellen werkt. We kunnen weer zien hoe laat het is.’ Henk gespt het horloge om zijn pols. ‘We zijn niet in de positie om ons af te vragen of we zijn spullen wel mogen gebruiken. We doen het gewoon.’ Hij wijst op de schoenen. ‘Is het jouw maat?’
‘Ik denk dat ze te groot zijn, maar dat los ik op met de sokken van Davy. Als we weer gedroogde bladeren hebben vul ik daar de neuzen mee op. In de bush is alles beter dan sandalen.’
Henk heeft het shirt weer opgepakt. Hij strijkt er licht met zijn hand over. ‘Hebben we iets aan de restanten van zijn kleding?’
‘Zodra we op het strand zijn moeten we alles goed spoelen en drogen, daarna bekijken we wat we kunnen gebruiken.’ Iets in zijn houding weerhoudt me te zeggen dat ik van het T-shirt stroken maandverband zou kunnen knippen. 

Henk staat op. ‘Kom er is werk te verzetten. Alles wat we hebben opgebouwd aan bivak en noodoproepen is weggespoeld. We kunnen deze grot als onderkomen blijven gebruiken, het is er koel en schaduwrijk, maar ik wil de letters S.O.S zo snel mogelijk weer gelegd hebben.’ Voor we vertrekken eten we nog wat dadels en wagen de gok dat het regenwater schoon genoeg is om te drinken. Het is in elk geval een andere smaak dan klappermelk. Ik trek de klamme sokken aan en snoer de schoenen met de veters stevig vast. Henk hangt de survival kit en het bundeltje kleding om zijn nek en steekt me behulpzaam een hand toe om me overeind te helpen. Het stuk bush dat voor ons ligt is nagenoeg onbegaanbaar. Vooral de omgewaaide bomen zorgen voor vermoeiend klimwerk. Soms lukt het een omweg te nemen. We helpen elkaar onder laaghangende takken door en houden struiken opzij. Als we eindelijk het strand bereiken ziet Henk op het horloge dat we bijna twee uur onderweg zijn geweest. Bezweet en doodvermoeid zakken we naast elkaar in het zand. Henk kijkt naar mijn geschaafde handen. ‘Voor vandaag is het genoeg geweest. Ik zal Davy’s kleding spoelen en te drogen leggen. Daarna moeten we plannen maken. Een ding is duidelijk die schuilplek onder de rotsen heeft ons het leven gered, maar door de onbereikbaarheid is het nu als bivak ongeschikt. We blijven hier vannacht. Als we morgen geen beter pad vinden bouwen we hier een nieuw kamp op.’
Ik denk aan het krat met schrijfspullen dat op een richel is achtergebleven. 

zondag, januari 23, 2022

Bedankje

Beste mensen, natuurlijk heb ik op bijval gehoopt toen ik aan het verhaal van Frida en Henk begon. Dat jullie zo positief en meelevend zijn waardeer ik enorm. Het gaat weer net als bij Chris Faber. Ik ken de afloop, maar hoe ik daar kom is ook voor mij nog een raadsel. Ik sta soms versteld van mijn eigen gedachtenkronkels die tot een hoofdstuk leiden. De eerste zin van aflevering negen staat geschreven, maar dat is dan ook alles. Geen idee wat Frida en Henk nog te wachten staat. We gaan het zien.

donderdag, januari 20, 2022

Ik vertrek 8

Boven onze hoofden raast de storm onverminderd voort en valt de regen met bakken neer. Het licht neemt steeds meer af, het lijkt erop dat we de nacht hier moeten doorbrengen. Voor de zekerheid zetten we het krat met onze belangrijke spullen op een smalle richel in de rots. De uitbouw is helaas niet breed genoeg voor twee personen. Er rest ons niets dan zwijgend afwachten, door de herrie kunnen we elkaar toch niet verstaan. Henk gebaart dat we moeten gaan staan zodra er water binnenloopt. Het hoofd boven water houden is dan de eerste zorg. Na uren neemt het natuurgeweld af. Gelukkig wordt de angst dat zeewater de grot zal overspoelen niet bewaarheid. Eindelijk kunnen we lucht geven aan de spanning die we beiden hebben ervaren. Henk wrijft tranen uit zijn ogen, zijn schorre stem verraadt dat de emoties hoog zitten. ‘Allemachtig Frida, we hebben weer geluk gehad, ik dacht echt dat we dit keer zouden verdrinken.’ Zelf kan ik geen woord uitbrengen en raak in een hysterische huilbui. Voor de tweede keer tijdens ons verblijf op dit verrekte eiland slaat Henk een troostende arm om me heen. Hij laat me een tijdje begaan tot ik bijna in een hyperventilatie schiet, hij schudt me door elkaar. ‘Frida, stoppen nu voor we alsnog in je tranen verzuipen.’ Blijkbaar heeft Henk zijn humor al hervonden. Met hulp van zijn commanderende stem: ‘Adem in, adem uit.’ krijg ook ik mezelf weer onder controle.

Zodra de regen stopt en de eerste lichtstrepen langs de omgewaaide palmboom naar binnendringen zien we dat we de komende uren druk zijn om onszelf te bevrijden. Met het schopje uit de survival kit hakt Henk de bladeren en de takken uit de kruin. Ik sleep de kletsnatte losse stukken naar het midden van de schuilplek en probeer in de plastic container het druipende regenwater op te vangen. Af en toe pauzeren we en eten van de dadels die voor de ingang liggen. Als de opening groot genoeg is kruipen we uit ons hol en nemen verbijsterd de omgeving in ons op. Welke richting we ook kiezen een begaanbaar pad naar het strand is er niet. Allebei kijken we naar mijn blote voeten in de sandalen. Henk besluit alleen op pad te gaan om te zien hoe erg het is en als het echt niet anders kan moet ik het risico op glijpartijen en verwondingen maar nemen. Permanent in de bush blijven betekent dat eventuele redders ons nooit zullen vinden. Ik blijf achter, verzamel het fruit dat na de storm voor het oprapen ligt en schrijf over de verschrikkingen van de afgelopen nacht in mijn dagboek. Ik merk dat ik het verhaal niet in korte zinnen op papier krijg, daarbij slaat de spanning weer toe. Komen we hier ooit vandaan en wat als er weer zo’n storm losbarst. Misschien moeten we deze schuilplek ook als bivak inrichten. Als ik daar over nadenk realiseer ik me dat we waarschijnlijk helemaal opnieuw moeten beginnen. Droog hout voor een vuurtje zal er voorlopig niet zijn, hetzelfde geldt voor zeegras. Wie weet is er door de storm ook bruikbaar materiaal aangespoeld om ons beter in te richten en te beschermen. Ik hoop niet alleen op stof om onze hoofden te bedekken. Ik heb al een paar dagen vage buikpijn, aan de datum in het dagboek zie ik dat mijn hormonale huishouding niet heeft geleden onder de schipbreuk. Het zou fijn zijn als ik iets van stof tot kleine stroken zou kunnen knippen. Om de tijd nuttig te besteden houd ik de container onder een straaltje water dat van de rots loopt. Die manier van opvang werkt efficiënter dan het gepruts met natte bladeren.

Net als ik denk dat Henk wel erg lang wegblijft, duikt hij op. Onder zijn arm draagt hij een bundeltje kleding, aan de survival kit hangt een paar wit uitgeslagen stevige werkschoenen die ik voor het laatst aan de voeten van Davy Brown zag, de kok van het onderzoeksschip. Henk ziet asgrauw, hij zakt neer op de palmboom voor de grot. ‘Die onrustige zwerm vogels gisteren boven zee, dat was geen walvis. Ik zal je de gruwelijke details besparen. Ik heb Davy aan de rand van de bush begraven, zijn graf heb ik met een kruis van schelpen gemarkeerd.’ Henk steunt met zijn hoofd op zijn opgetrokken knieën. Er glijdt een traan langs zijn neus. Het is mijn beurt om te troosten. 

donderdag, januari 13, 2022

Ik vertrek 7

Sinds Henk uit de kast is gekomen is onze omgang met elkaar aanzienlijk vrijer. Tot nu toe spoelden we eens per week beurtelings onze kleding en kwamen elkaar pas onder ogen als de gedroogde kleren weer aan konden. Die preutsheid hebben we overboord gezet. Op de plekken waar we zelf niet bij kunnen smeren we elkaar in met zelf gewonnen kokosvet. Zo voorkomen we dat onze huid op wasdag uitdroogt. Regelmatig wrijven we tussen twee platte stenen het vruchtvlees van de kokosnoot. De olie die achterblijft, verzamelen we in een aangespoelde fles. Ook voor mijn vingers is het goedje een weldaad. Ik heb me gesneden aan de stroken palmbladeren die ik tot een hoofdbedekking wil maken. Henk waarschuwt me voor wondjes, hij is bang dat ze gaan ontsteken. Het enige wat we als bestrijding tegen een infectie hebben is het zoute zeewater en een rolletje verband in de survival kit. Hij vindt mijn gepruts een riskant tijdverdrijf met waarschijnlijk nihil resultaat, wat hem betreft doen we er verstandiger aan meer de schaduw op te zoeken. Het risico dat een eventuele ontsteking ook het schrijven belemmert geeft bij mij de doorslag. Met tegenzin laat ik het idee van de zonnehoed varen.

Als het weer eens mijn beurt is om met het spiegeltje lichtsignalen uit te zenden wordt mijn aandacht getrokken door onrustige vogels boven zee. Ze zijn te ver weg om te kunnen zien waar ze zich druk over maken. Henk heeft het ook gezien. Met een hand boven zijn ogen tuurt hij ingespannen naar de plek waar de zwerm zich ophoudt. Ik opper dat er een walvis zwemt. Tijdens een middag walvis spotten voor de kust van Californië heb ik geleerd dat dergelijke bewegingen er vaak op wijzen dat er een walvis in de buurt is. Henk denkt aan een dode vis van flink formaat die de vogels tot voedsel dient. Hij klimt op een rotsblok en tuurt langdurig naar de zee die meer in beweging lijkt te zijn dan voorgaande dagen. ‘Frida, kom eens kijken, valt het jou ook op dat de lucht aan de horizon donkerder wordt en dat de golven hoger zijn? Zo druk als die vogels boven zee zijn, zo stil zijn ze in de struiken achter ons. Ik denk dat er storm op komst is.’ Er klinkt ongerustheid in zijn stem. ‘Geen idee wat ons aan wind en regen te wachten staat. We moeten van het strand af, want in dit gebied komt een tropische storm in rap tempo tot ontwikkeling.’

Snel gooien we de survival kit en mijn boeken in het krat en brengen dat zo diep mogelijk de bush in. Onder een paar flinke rotsblokken vinden we een holte waar plaats genoeg is om te schuilen. Ik hoop daar ook mijn boeken droog te houden. We brengen net op tijd een plastic container en flessen die we hebben gevonden in veiligheid. Slimme Henk heeft bedacht dat we daar schoon regenwater mee kunnen opvangen dat ongetwijfeld van de bomen gaat druppen. Boven onze hoofden beginnen de kruinen van de palmbomen steeds meer wind te vangen en het vredige ruisen van de branding verandert in een onheilspellend lawaai. Ook daalt de temperatuur flink. Het duurt niet lang voor het getik van dikke regendruppels doorklinkt in ons hol. In een mum van tijd raast er een storm over het eiland met een kracht die we in Nederland nog nooit hebben meegemaakt. Het lawaai van wind en water is oorverdovend en angstaanjagend. Om ons heen knappen bomen af, de ingang van de schuilplek is versperd door de kruin van een palmboom. We zitten als ratten in de val. Als er nu water binnenstroomt, kunnen we geen kant op. Rillend van de kou kruipen we bij elkaar.

donderdag, januari 06, 2022

Ik vertrek 6

Beetje bij beetje raken we steeds meer op elkaar ingespeeld. De reserves die ik inbouw omdat ik bang ben dat Henk me te aardig gaat vinden en op een dag fysieke toenadering zal zoeken, blijken totaal overbodig. Op een avond vertelt Henk dat hij homoseksueel is. Als hij de opluchting op mijn gezicht ziet, schiet hij in een daverende lach. ‘Wat dacht je Frida, hoe houd ik op den duur die vent mijn lijf? Ik vind je een aardige meid en we worden vast vrienden voor het leven, maar daar houdt het voor mij op. ’t Is jammer dat we geen fototoestel hebben want de opluchting op jouw gezicht is een plaatje waard.’ Henk vertelt over zijn worsteling sinds zijn puberteit en het verborgen leven dat hij leidt tijdens zijn studie biologie. Hij woont al lang niet meer thuis maar toch duurt het nog jaren voor hij besluit zijn ouders over zijn geaardheid in te lichten. Het verdriet van zijn moeder raakt hem diep. De hoop dat haar enig kind haar kleinkinderen zal bezorgen is met zijn boodschap vervlogen. Vader Voortman blijkt een stamhouder erg belangrijk te vinden. Teleurgesteld in de zoon waar hij alle hoop op heeft gevestigd merkt hij zuur op dat met Henk deze loot aan de Voortmanstam dus afsterft. Hij is niet van plan een mannelijke levenspartner van de zoon ooit onder zijn dak te ontvangen. Moeder Voortman heeft zich in dat besluit maar te schikken. De reacties van het thuisfront drijven Henk, vanuit het veilige Ecomare op Texel, naar zee. Hij sluit zich aan bij hetzelfde onderzoeksteam waar ook ik mijn toevlucht heb gezocht. We gaan onderzoek doen naar kleine dieren die normaal in kustgebieden voorkomen, maar die meeliften op de plastic soep en zo een nieuwe leefomgeving vinden. Henk hoopt vurig dat zijn lange afwezigheid zijn familie op andere gedachten zal brengen. 

Op mijn beurt vertel ik wat mijn reden tot aanmonsteren is geweest. Na een aantal kortstondige relaties die mij niet het gewenste geluk brengen is de maat vol als de laatste vriend losse handjes blijkt te hebben. Na mijn eerste blauwe oog wacht ik verdere klappen niet af, doe aangifte, trek me terug in mijn flatje in Wageningen en kom pas tevoorschijn als mijn gehavende gezicht weer toonbaar is. De expeditie waar de universiteit van Wageningen aan wil meedoen, komt voor mij als een welkome afwisseling. Het onderzoek over de invloed van extreme weersomstandigheden op de maisproductie is afgerond. Het rapport dat ik heb geschreven zal waarschijnlijk wel ergens op het ministerie van Landbouw in een la verdwijnen. Het is hoog tijd voor een nieuwe uitdaging. 

We ontmoeten elkaar en de rest van het team voor het eerst op Schiphol. De andere twee wetenschappers zijn biologen van het NIOZ (Koninklijk Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee) en hebben ervaring met een reis als deze. Een van hen is de leider van het onderzoek en zij zal de taken aan boord verdelen. In Auckland gaan we aan boord van een onderzoeksschip met vier bemanningsleden. De eerste dagen van de reis hang ik zeeziek in mijn kooi en met Henk is het niet veel beter. Gelukkig is het voor het onderzoek geen probleem want ons einddoel is nog niet in zicht. Tegen de tijd dat we in de plastic soep varen zijn wij al lang op de been en onderwezen in dit onderdeel van het oceanografisch onderzoek. Wat zich in of onder die soep bevond en de kiel van ons schip als een Titanic op de ijsberg openscheurde zal hopelijk ooit nog eens duidelijk worden.
Dat de reis op een onbewoond eiland zou eindigen hadden we nooit gedacht.

donderdag, december 30, 2021

Ik vertrek 5

We brengen structuur aan in de dagen door ‘s morgens al vroeg een ronde over het eiland te lopen in de hoop bruikbare waar te jutten. We bouwen een paar uur met stenen en schelpen aan een noodkreet en na drie dagen ligt er in grote letters S.O.S. in het zand. Op de terugweg naar ons bivak verzamelen we in het boekenkrat vruchten voor het ontbijt en de lunch. Het eiland biedt meer dan voldoende fruit om het vochtgehalte op peil te houden. We plukken rode bessen en slaan ananas met lange stokken uit de bomen. Het Zwitsers zakmes van Henk weet raad met de harde schil en gaat als een mes door de boter bij het sappige vruchtvlees. Als de zon haar hoogste punt heeft bereikt zoeken we de schaduw op. Terwijl Henk siësta houdt, schrijf ik in mijn dagboek en maak schetsjes van het fruit dat we niet bij naam kennen en noteer hoe het smaakt. Erg avontuurlijk zijn de notities niet, maar ik hoop ooit in de gelegenheid te zijn er een goed leesbaar verhaal van te maken. 

Op gezette tijden seinen we vanaf verschillende plekken op het strand met behulp van het spiegeltje uit de survival kit en de zon lichtsignalen uit over de zacht golvende zee. Hoewel er regelmatig een vliegtuig hoog over komt lijkt het erop dat geen enkel noodsignaal wordt opgepikt. Als we al een schip ontwaren vaart het met de grootte van een lucifersdoosje over de strakke lijn van de horizon. Naast het fruit dat we eten leven we van de schaal en- schelpdieren die de zee op het strand achterlaat. Af en toe zie ik in gedachten de schotel fruits de mer op het terrasje aan de haven in Saint-Malo. Ik had nog nooit zoiets gezien, laat staan gegeten. Voor het eerst op vakantie met een serieuze vrijer die me Frankrijk leerde kennen. Met de vriend is het niets geworden, maar fruits de mer bleef op mijn menu. Met spiesen die Henk van dunne takken heeft gesneden vangen we tussen de rotsblokken kleine visjes die we op een vuurtje roosteren. Aanvankelijk kost die handeling me grote moeite maar ik realiseer me dat de angsthaas in mij slecht gezelschap is. Opgegroeid aan een kanaal leerde ik zittend naast mijn oudere broertje al vroeg vissen, maar bij elke vangst moest hij in de benen komen om het spartelende visje de vrijheid terug te geven. Hier gaat die vlieger niet op. Henk is niet van plan de grote broer uit hangen als het niet nodig is. Terwijl ik zorg voor leeftocht oogst ik ook zeegras om te drogen; als ik genoeg voorraad heb wil ik er samen met stroken palmbladeren twee strohoeden van vlechten. Met de vondst van een leeg olijfolieblik zijn we de koning te rijk. Door de bovenkant eraf te snijden tovert Henk het blik om tot een pan. Die avond eten we in zeewater gekookte mosselen. Om het een beetje leuk te maken leg ik ze op een bedje van gedroogd zeegras. Henk walst een scheutje klappermelk in het kroesje, ruikt eraan, sluit zijn ogen en zegt. ‘Met een beetje fantasie smaakt het als een koele witte wijn.’ Inmiddels ga ik zijn humor en creatieve geest steeds meer waarderen en zeg. ‘Oh heerlijk, geef mij ook een slok.’ Zo spelen we, tegen beter weten in, alsof we aan een vorstelijk maal zitten.

zondag, december 26, 2021

Ik vertrek 4

‘Tijd genoeg? De universiteit zal toch wel een zoekactie op touw zetten als ze van de schipbreuk horen.’
‘Ik help het je hopen. De kans is groot dat wij de enige overlevenden zijn, niemand weet dat wij op een onbewoond eiland zijn aangespoeld. Moderne middelen om onze aanwezigheid hier kenbaar te maken hebben we niet. Geef mij een reden waarom ze ons zouden zoeken, je bent na een schipbreuk al snel prooi voor de haaien.’
Lijkbleek kom ik overeind en ren bij Henk vandaan om de weinige inhoud van mijn maag uit te kotsen. Ondanks de warmte zak ik even later, trillend en met klam zweet op mijn voorhoofd, weer naast hem in het zand. Als hij een troostende arm om me heen slaat laat ik mijn tranen de vrije loop. Met gierende uithalen jaag ik alle opgebouwde spanning uit mijn lijf. Zachtjes klopt Henk op mijn schokkende rug. ‘Toe maar, Frida gooi het eruit. Stop maar even met flink zijn, het is tenslotte niet niks wat ons is overkomen.’ Langzaam kom ik tot bedaren. Als een klein kind snik ik nog wat na, maar dan raap ik mezelf weer bij elkaar en kruip voorzichtig onder Henk zijn beschermende arm vandaan. ‘Sorry, maar die haai was net iets teveel van het goede.’
‘Juist goed, zo’n huilbui geeft ruimte voor nieuwe moed.’
Even verdenk ik hem van opzet, maar laat die gedachte meteen weer varen. Door negatief over mijn gezelschap te blijven denken maak ik het noodgedwongen verblijf op dit zonovergoten eiland er niet beter op. Om de vieze smaak in mijn mond kwijt te raken reikt Henk een bekertje klappermelk aan. Ik pulk een dunne haar los van de kokosnoot en beweeg er voorzichtig mee tussen mijn tanden en kiezen. ‘Prima flosdraad. We moeten maar zuinig zijn op die haren, wie weet waar we ze meer voor kunnen gebruiken.’
Henk knikt goedkeurend. ‘Dat geldt voor meer zaken, we moeten spullen zoeken om een beetje beschermd te kunnen zitten en te slapen. Op het strand is het nu al te warm en te zonnig, laten we die groene jungle achter ons maar eerst verkennen. Hopelijk vinden we ook meer aan eetbare vruchten. Als de zon vanmiddag lager staat doen we een rondje langs het strand om te kijken of er materiaal is aangespoeld dat we kunnen gebruiken. Best kans dat er inventaris van het gezonken schip ligt. We deden aan boord verantwoord onderzoek naar plastic soep en spraken er schande van, maar ik denk dat we nu heel blij zijn met aangespoelde blikken en flessen.’ 

Henk staat op en hangt de survival kit aan zijn schouder. ‘Ga je mee?’ Aarzelend volg ik hem door het lage struikgewas. De schoonheid van de exotische omgeving gaat op deze eerste tocht volledig aan me voorbij. Angstvallig blijf ik naar de grond kijken. Ik durf niet te zeggen dat ik met mijn blote voeten in sandalen bang ben voor alles wat er kruipt. Ondertussen raapt Henk een paar grote afgevallen palmbladeren op. Hij houdt ze omhoog.
‘Kijk dat wordt een mooi dak boven ons hoofd, misschien kun jij er ook paar meenemen?’
Als ik buk, zoekt een felgroene hagedis over mijn voeten een veilig heenkomen. De gil die ik slaak doet een paar bontgekleurde vogels krijsend opvliegen. Henk draait zich om. ‘Arme beesten, hun rust is compleet verstoord. Nou ja op den duur zullen we wel aan elkaar wennen.’ Ik vraag me in stilte af of het voor mij, wat betreft Henk zijn humor, ook zal opgaan.

maandag, december 20, 2021

Ik vertrek 3

Iemand roept: ‘Frida wakker worden.’ Met een ruk schiet ik overeind. ‘Het vuur, brandt het nog?’
‘Nee, maar het is niet erg, er is genoeg materiaal om dat weer nieuw leven in te blazen. Ik had die wacht niet van je mogen vragen, jij was net zo goed moe, het spijt me. Ik heb een ontbijtje voor je.’ Op het emaille bordje dat Henk me aanreikt ligt een stapeltje gesneden vruchtvlees van een kokosnoot, er naast staat een emaille kroesje met een melkachtige vloeistof. ‘Drink eerst die melk op dan tap ik je meteen bij, het wordt tijd om het vochtgehalte op peil te brengen. We zijn behoorlijk aan het uitdrogen.’ Ik sla de inhoud van het kroesje in twee teugen achterover, nu pas heb ik in de gaten hoe dorstig ik ben. Vanuit een gaatje in een kokosnoot, die verder nog helemaal in takt is, schenkt Henk het kroesje opnieuw vol. Gulzig drink ik het bekertje tot op de bodem leeg. Dan begin ik aan het vruchtvlees en houd Henk ook het bordje voor, maar hij blijkt zijn portie al op te hebben. Ik heb zo diep geslapen dat ik niet heb gemerkt dat Henk, nadat hij eerst flink wat klappermelk heeft gedronken, een kokosnoot op een rotsblok heeft staan kraken. Hij laat me de drie dunne plekken in de noot zien. ‘Als je in de dunste plek een scherp voorwerp boort loop de melk vanzelf naar buiten. Daarna kun je de noot met een hamer op een rotsblok kraken.’
‘En jij hebt dat gereedschap bij je?’
‘Ik ben nog nooit zo blij geweest dat ik niet heb bezuinigd op de aanschaf van een survivalkit. Ik zal het je vandaag bij de volgende maaltijd demonstreren, want voorlopig staan we op een kokosdieet. Neem nog een beker melk, dan drink ik de rest op. Daarna moeten we aan de slag met praktische zaken. Te beginnen met de notitie van dag en datum.’

Omdat de zon al vroeg begint te branden zoeken we de schaduw van de bosjes op. Voorzichtig vul ik de pen met inkt en schroef het flesje weer zorgvuldig dicht. Om inkt te sparen besluit ik mijn notities kort te houden. Op de eerste bladzij noteer ik. Dinsdag 16 maart 2010 schipbreuk, één nacht rondgedobberd, op woensdag samen met Henk Voortman aangespoeld op onbewoond eiland. Donderdag 18 maart start dagboek 1.
‘Goed,  dat is duidelijk voor de rest van ons verblijf. Wat je ook schrijft, noteer in elk geval dagelijks de datum. Concentreren we ons nu op de tijd. Onze horloges en telefoons zijn niets meer waard nadat ze zolang in het zeewater hebben gelegen. Het hoeft niet op de minuut nauwkeurig, maar het zou handig zijn als we bij benadering weten hoe laat het is. Ik stel voor dat we een zonnewijzer maken.’
‘Een zonnewijzer, hoe denk je dat te doen?’
‘Jij denkt waarschijnlijk aan een ingewikkelde stalen constructie in het midden van een groot grasveld, maar dat hoeft helemaal niet. Het kan heel simpel met een stokje en een handvol stenen.’
Zijn wijsneuzige toontje irriteert me, ik weet heel goed dat het niet fair is maar zeg toch met spottende ondertoon; ‘Ik lijk wel te zijn aangespoeld met een padvinder.’
‘Klopt Frida, alleen heet dat tegenwoordig scouting, de hopman met stok en deukhoed bestaat al jaren niet meer.’
Ik bloos en voel me opnieuw op mijn nummer gezet. Henk schiet in de lach. ‘Mijn gevoel voor humor is niet helemaal het jouwe geloof ik. Nou ja we hebben de tijd en er is weinig keus. Het zal tussen jou en mij heus wel goed komen.’

donderdag, december 16, 2021

Ik vertrek 2

Al snel ontdek ik dat ik Henk te veel op zijn uiterlijk heb beoordeeld. Hij mag dan niet moeders mooiste zijn, hij blijkt over leidinggevende capaciteiten en een creatieve geest te beschikken. Waar hij aan boord een afwachtende houding aannam neemt hij hier de leiding. Hij rommelt wat in de survivalkit en tovert een loep tevoorschijn. ‘Zou je een paar droge blaadjes uit een van je boeken willen offeren zodat ik met de loep als brandglas het begin van een vuurtje kan maken. Ik denk dat de zon nog voldoende kracht heeft. Er ligt hier genoeg droog hout om jaren mee vooruit te kunnen. Ik hoop niet dat we het zo lang nodig hebben, we moeten eerst maar eens zien de komende nacht door te komen. We hebben tenslotte geen idee of de nachten koud of aangenaam warm zullen zijn.’ Henk stapelt kleine takjes op elkaar. Om het vergrootglas zo stabiel mogelijk te houden steunt hij met zijn rechter elleboog op een rotsblok. Gefascineerd zie ik hoe zich na verloop van tijd een donkere plek in het papier vormt. Opeens vat het vlam. Als het vuurt goed brandt verzamelen we flink wat losse bladeren waarmee we ons voor de nacht kunnen toedekken. Henk fluit zachtjes tussen zijn tanden ‘Wie rusten wil in het groene woud.’ Ik kan er de humor niet van zien.

Om het vuurtje brandend te houden spreken we af om beurten te gaan slapen. Je weet nooit of de gloed en de rook worden opgemerkt aan boord van een vliegtuig of een schip. ‘Ik zou er maar niet op rekenen Frida, dat we de eerste beste nacht al gespot worden. Ik vraag me zelfs af of de wereld al in de gaten heeft dat ons schip van de radar is verdwenen. We voeren niet bepaald in een drukke zeestraat.’ Tot nu toe heb ik het hele gebeuren nogal kalm ondergaan, maar zijn weinig opbeurende woorden laten mijn humeur tot het vriespunt dalen. Nijdig bijt ik hem toe: ‘Bespaar me je negatieve bespiegelingen, ik wil niet nu al bij de pakken neerzitten.’ 
‘Heb je liever dat ik onze situatie mooi voor je inkleur om vervolgens tot de conclusie te komen dat het allemaal zo leuk niet is. Om teleurstelling te voorkomen kun je beter de nuchtere feiten onder ogen zien.  Met ruziemaken lossen we nu niets op. Wie weet hoeveel tijd we nog krijgen om elkaar in de haren te vliegen. Ik ben moe en wil slapen. Ik stel voor dat jij de eerste wacht neemt. Het enige wat je moet doen is het vuurtje smeulend houden. Denk je dat je dat lukt?’ De lichte spot in zijn stem neem ik voor lief. Hij heeft gelijk, ruziemaken is zinloos. Na een paar minuten stijgt er een licht snurken uit de hoop bladeren. Ik por wat met een stok in het vuurtje en zie me weer op schoolkamp, jammer dat de marshmallow ontbreekt. Bij die gedachte loopt het water me in de mond. Het wordt tijd voor de truc die me mijn hele leven bij belangrijke beslissingen heeft geholpen. Ik spreek mezelf hardop toe. ‘Helder blijven Frida, niet wegdromen, zie de feiten onder ogen.’ Ik kijk van het zacht gloeiende schijnsel naar de berg bladeren waaronder mijn gezelschap in diepe rust is. Als hij me morgenochtend vertelt dat hij in zijn jeugd hopman bij de padvinderij is geweest, zal mij dat niet verbazen. Jammer dat het te donker is om mijn pen een echte stem te geven en de eerste bevindingen op papier te zetten.

Reuze aardig dat jullie om een vervolg vragen. In eerste instantie was ik niet van plan nog een keer zo'n verbond aan te gaan. Maar tijdens het uitwerken van dit hoofdstuk kwam er vanzelf meer bovendrijven, zodat ik de smaak toch weer te pakken kreeg. We zullen zien hoe het Frida en Henk vergaat.