Samen met twee collega’s ging ik op wintersportvakantie.
We hadden alle drie al wel geskied, maar nooit samen. We waren van plan de eerste dagen in hetzelfde klasje te gaan lessen om daarna, als we waren ingeskied, de dagen samen door te brengen met tochtjes op ons eigen tempo en niveau.
De eerste ochtend stonden alle meer ervaren skiërs bovenaan een helling opgesteld.
Langs de kant de skileraren, onderaan de directeur van de skischool die alle skiërs op hun kunnen zou beoordelen en in klassen indelen.
Wij hadden even de tijd om het gebeuren aan te zien en voor onszelf zo’n beetje uit te maken bij welke groep we zouden worden ingedeeld.
Mijn collega’s kwamen inderdaad bij elkaar in de klas. Ik gleed tot mijn eigen verbazing perfect die helling af. Alles lukte wonderwel en ik wist, dit gaat niet goed. Ik beland in een, voor mij, te snelle klas.
En inderdaad ik werd twee groepen hoger ingedeeld. Totaal niet blij vroeg ik of ik alsjeblieft naar die andere klas mocht. Ik kende mijn eigen techniek tenslotte het beste, dacht ik. Er viel op dat moment niet over te onderhandelen. Die ochtend skiede ik met een stel snelle jongens en meiden en met zweet in ski-en handschoenen moest ik alle zeilen bijzetten om het clubje bij te houden.
Tijdens de lunchpauze kwamen we de groep van mijn collega’s tegen. Ik besloot het er nog een keer op te wagen om over te stappen. Mijn leraar had inmiddels wel gezien dat ik niet klaar was voor het niveau van zijn klas en vond die overstap prima. Wat moet je met één leerling die de boel ophoudt?
De rest van de vakantie heb ik heerlijk relaxed geskied. Daar kwam ik voor.
Was ik toch bijna slachtoffer geworden van mijn eigen succes.

