Het is voorjaar 1970, de afronding van de
verpleegstersopleiding is nabij.
Er is een oefenavond voor de eindgesprekken georganiseerd
die ik niet zal halen.
Als ik onder de douche vandaan kom glijd ik, met nog iets
vochtige voeten onderuit, val recht op mijn stuit en breek een borstwervel. Ik
beland met vijf weken ‘platte bedrust’ in een ziekenhuisbed op de klassenafdeling.
Dat laatste is een schrale troost voor de leerling-medewerker die ik dan nog
ben. Tegenwoordig verlopen de behandelingen van dergelijke wervelfracturen op
een andere manier en voor zo ver ik weet bestaan klassenafdelingen niet meer,
maar dit terzijde.
Ik lig de vijf weken braaf uit met alle ongemakken van dien.
Ik ervaar wat het is om gewassen te worden en op zij moet draaien met hulp van
twee collega’s. Dat ik niet bij het tuitbekertje water kan, omdat het
nachtkastje buiten handbereik staat. Het is geen pretje om op een speciale po
je behoefte te doen en als je urine tot aan je nek voelt lopen weet je niet hoe
snel je op de bel moet drukken. Het sleetje bleek niet helemaal goed in
stelling gebracht.
Elk vouwtje in het laken voel je op den duur. Het is een
harde leerschool, maar voor de rest van mijn loopbaan hebben mijn patiënten er
plezier van. Het is mij maar zelden overkomen dat ik vergat het nachtkastje op
de goede plek te zetten en ben fanatiek gebleven op gladtrekken van
onderlakens. En zo kan ik nog wel meer dingen noemen die mijn begrip voor de patiënt
vergroot hebben.
Reuze blij ben ik met de prismabril die me in staat stelt,
liggend op mijn rug, alle boeken te lezen die de dames van het UVV (unie voor
vrijwilligers) mij wekelijks komen aanreiken.
Op het bedtafeltje aan het voeteneind prijkt een stapel
studieboeken, maar echt zin heb ik niet in dat leesvoer. Mijn examen is drie
maanden uitgesteld dus daarover hoef ik me voorlopig niet druk te maken. Ik breng
de saaie dagen liever door met de capriolen van de Gebroeders Beekman van Toon
Kortooms en ik herinner me dat ik ‘Het kan niet altijd kaviaar zijn’ van Simmel
wel een toepasselijke titel vond en het boek met plezier heb gelezen.
Na vijf weken wordt een controlefoto gemaakt en mag ik geleidelijk
aan in een andere stand. Dat betekent glooiend liggen en zelfstandig draaien,
wat een vrijheid…niet meer hoeven bellen als ik op een andere zij wil liggen.
De dag dat ik met behulp van een rugsteun, waar de kussens tegenaan zijn
geschikt volgens het, inmiddels antieke verpleegkundeboek van Quanjer en van
der Molen, rechtop zittend de warme maaltijd geniet, heugt me als de dag van
gisteren. Het toetje is een vanille-ijsje met slagroom. Het lekkerste ijsje
ooit.



