Als ik mijn boodschappen heb
ingeslagen sluit ik aan in de rij bij de kassa.
Voor mij staat een man met aan
zijn voeten een goed gevulde mand.
Hij schuift een lading plastic flacons gevuld
met bleekwater voor zich uit.
Tijdens het wachten op mijn
beurt heeft mijn fantasie wat te doen.
Wat moet je met een dergelijke
hoeveelheid bleekwater? Mogelijk heeft deze man een fanatieke echtgenote die
alles spic en span verzorgd wil hebben en aan milieubelasting geen boodschap
heeft.
Ik hoor haar zeggen: ‘Willem
de bleek is bijna op, ga jij even een voorraadje halen.’
Willem is waarschijnlijk geen
liefhebber van winkelen en heeft meteen voor een heel jaar ingeslagen.
Vervolgens overweeg ik de mogelijkheid
van een tuinman die bij zijn rijke baas het zwembad voor de zomer een
onderhoudsbeurt moet geven.
Of misschien een vrijwilliger bij een sportclub die de toiletten en doucheruimtes schoonhoudt.
Als hij aan de beurt is zet
de klant één fles op de band. ‘15 stuks’ zegt hij.
Terwijl de caissière de fles
langs de scanner haalt, kijkt ze in de spiegel boven haar hoofd of het
klopt.
Alsof de man de verbazing
over zijn aankoop gevoeld heeft maakt hij een einde aan mijn giswerk.
‘Mijn vrouw
wil het terras schrobben, het zit onder de groene aanslag.’
Met een ferme ruk tilt hij het mandje op en beent de winkel uit. Blijkbaar zat ik met mijn eerste gedachte niet ver van de waarheid.
Achter mij mompelt de volgende klant: ‘Hij kan na de schrobbeurt meteen de grond afgraven.'
Een ouwetje, enigszins opgepoetst.