Op mijn elektrische fiets ben
ik op weg naar de bibliotheek.
Onderweg passeer ik een
basisschool waar het een komen en gaan is van ouders en verzorgers om het
kroost veilig thuis of in de naschoolse opvang af te leveren. Op de stoep aan de overkant
loopt een ouder echtpaar. Ik zie de man plotseling schokkende bewegingen maken.
Hij dreigt te kapseizen, maar zijn vrouw houdt hem met alle macht in de benen
en duwt hem op een muurtje waarachter een diep terrasje ligt.
‘Zitten, zitten’, hoor ik
haar commanderen. Ik knijp in mijn remmen en roep ‘Gaat het?’ Achter mij hoor
ik dezelfde kreet. Een jonge vrouw in rood T-shirt en een lichte broek is
sneller van haar vouwfiets dan ik en schiet te hulp.
Ik doe, wat trager, hetzelfde
en besluit op het terrasje achter de man te gaan staan om te voorkomen dat hij
in zijn ongecontroleerde bewegingen achterover valt.
De vrouw laat ons weten dat
deze aanval vanzelf overgaat. Eigenlijk maakt ze zich meer zorgen dat ze haar
kleinzoon nu niet op tijd uit school kan halen.
‘Daar past de juf wel op.' zegt de snelle toegeschoten hulpverleenster.
Ze houdt de scheefgezakte bril van
de man in haar handen. Zelf houd ik, met twee handen op zijn licht schokkende
rug, de man op het muurtje tegen, terwijl zijn vrouw hem aan de voorkant
ondersteunt.
‘Weet u zeker dat het
overgaat? Ik ben huisarts en heb medicijnen in mijn tas.’ zegt de vrouw in het
rood.
‘Dat hoeft echt niet, het
gaat vanzelf over. Ik ga hier al jaren mee om.’
En inderdaad de aanval luwt, langzaam
komt de man bij zijn positieven en komt voorzichtig overeind. Alhoewel hij nog
wat wankel op zijn benen staat neemt zijn vrouw hem onder de arm en loopt onder
dankbetuigingen richting de basisschool, waar haar kleinzoon op haar wacht.
Bezorgd kijken we het stel na.
‘We moeten het maar zo laten,
blijkbaar zijn ze dit gewend en weten ze
wat ze doen.' zegt de dokter.
Aangezien we in dezelfde
richting moeten, fietsen we een tijdje samen op.
We nemen het incident nog
even door. In eerste instantie dacht ik dat de man vanwege de ziekte van
Parkinson aan het struikelen kwam. De dokter dacht aan een acute duizeling. Maar
algauw bleek dat het om een epileptische aanval ging.
Wijzend op haar zwarte
dokterstas op de bagagedrager vraag ik of ze visite rijdt op een vouwfiets.
Dat is inderdaad het geval. In
de binnenstad is parkeren een ramp, op de fiets is ze sneller op de plaats van
bestemming. Bij de huisartsenpraktijk aan de rand van het centrum zwaait ze af.
‘Nog bedankt voor uw hulp.’ zegt ze.
Ik vervolg mijn weg en denk
terug aan mijn jeugd. In mijn hoofd stapt de oude statige huisarts in driedelig
pak, gouden horlogeketting op zijn buik, uit zijn donkerrode auto. Hij boezemt aan alle kanten
ontzag in.
Terwijl ik mijn fiets bij de
bibliotheek parkeer kom ik tot de conclusie dat ik de vrouw in moderne outfit
op haar snelle vouwfiets een leukere verschijning vind.