Beetje bij beetje raken we steeds meer op elkaar ingespeeld. De reserves die ik inbouw omdat ik bang ben dat Henk me te aardig gaat vinden en op een dag fysieke toenadering zal zoeken, blijken totaal overbodig. Op een avond vertelt Henk dat hij homoseksueel is. Als hij de opluchting op mijn gezicht ziet, schiet hij in een daverende lach. ‘Wat dacht je Frida, hoe houd ik op den duur die vent mijn lijf? Ik vind je een aardige meid en we worden vast vrienden voor het leven, maar daar houdt het voor mij op. ’t Is jammer dat we geen fototoestel hebben want de opluchting op jouw gezicht is een plaatje waard.’ Henk vertelt over zijn worsteling sinds zijn puberteit en het verborgen leven dat hij leidt tijdens zijn studie biologie. Hij woont al lang niet meer thuis maar toch duurt het nog jaren voor hij besluit zijn ouders over zijn geaardheid in te lichten. Het verdriet van zijn moeder raakt hem diep. De hoop dat haar enig kind haar kleinkinderen zal bezorgen is met zijn boodschap vervlogen. Vader Voortman blijkt een stamhouder erg belangrijk te vinden. Teleurgesteld in de zoon waar hij alle hoop op heeft gevestigd merkt hij zuur op dat met Henk deze loot aan de Voortmanstam dus afsterft. Hij is niet van plan een mannelijke levenspartner van de zoon ooit onder zijn dak te ontvangen. Moeder Voortman heeft zich in dat besluit maar te schikken. De reacties van het thuisfront drijven Henk, vanuit het veilige Ecomare op Texel, naar zee. Hij sluit zich aan bij hetzelfde onderzoeksteam waar ook ik mijn toevlucht heb gezocht. We gaan onderzoek doen naar kleine dieren die normaal in kustgebieden voorkomen, maar die meeliften op de plastic soep en zo een nieuwe leefomgeving vinden. Henk hoopt vurig dat zijn lange afwezigheid zijn familie op andere gedachten zal brengen.
Op mijn beurt vertel ik wat mijn reden tot aanmonsteren is geweest. Na een aantal kortstondige relaties die mij niet het gewenste geluk brengen is de maat vol als de laatste vriend losse handjes blijkt te hebben. Na mijn eerste blauwe oog wacht ik verdere klappen niet af, doe aangifte, trek me terug in mijn flatje in Wageningen en kom pas tevoorschijn als mijn gehavende gezicht weer toonbaar is. De expeditie waar de universiteit van Wageningen aan wil meedoen, komt voor mij als een welkome afwisseling. Het onderzoek over de invloed van extreme weersomstandigheden op de maisproductie is afgerond. Het rapport dat ik heb geschreven zal waarschijnlijk wel ergens op het ministerie van Landbouw in een la verdwijnen. Het is hoog tijd voor een nieuwe uitdaging.
We ontmoeten elkaar en de rest van het team voor het eerst op Schiphol. De andere twee wetenschappers zijn biologen van het NIOZ (Koninklijk Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee) en hebben ervaring met een reis als deze. Een van hen is de leider van het onderzoek en zij zal de taken aan boord verdelen. In Auckland gaan we aan boord van een onderzoeksschip met vier bemanningsleden. De eerste dagen van de reis hang ik zeeziek in mijn kooi en met Henk is het niet veel beter. Gelukkig is het voor het onderzoek geen probleem want ons einddoel is nog niet in zicht. Tegen de tijd dat we in de plastic soep varen zijn wij al lang op de been en onderwezen in dit onderdeel van het oceanografisch onderzoek. Wat zich in of onder die soep bevond en de kiel van ons schip als een Titanic op de ijsberg openscheurde zal hopelijk ooit nog eens duidelijk worden.
Dat de reis op een onbewoond eiland zou eindigen hadden we nooit gedacht.