‘Hallo, ik ben Serpentina Infectiosa, vooraanstaand lid uit
de familie van het griepvirus.
Ik heb de supervisie over de slijmsectie en ben
gespecialiseerd in het vullen van neus en bijholtes. Ook de bronchiën en longen
worden door mij graag van dat goedje voorzien.
Ik kom kijken hoe het met je gaat sinds ik de aanval op je
heb geopend.
Dat je hier zo zielig ligt te wezen, heb je geheel aan
jezelf te danken. Je hebt je namelijk met mijn planning bemoeid en daar heb ik
een pesthekel aan. Zeggen dat je verkoudheid wel met een sisser zal aflopen,
neem ik je niet in dank af. Wie Serpentina niet serieus wenst te nemen verdient
straf.
Je wilt niet met me praten. Kinderachtig, maar ik begrijp
het wel.
Praten wekt een hoestprikkel op die bij jou uit je grote
tenen lijkt te komen en die zich vervolgens schurend een weg baant naar je
luchtpijp om in je rauwe keel te eindigen.
Zo te zien een benauwde ervaring. Over de spierpijn die het
veroorzaakt zullen we het maar niet hebben. Ik wil niet in alle wonden zout
strooien.
Hoe vind je het carnaval onder je schedeldak? Dat is het werk van neef Bonne Sinusitis, hij
is verantwoordelijk voor de akoestiek.
Hij zorgt ook voor de sterretjes en gekleurde ballen tijdens
een hoestbui.
Mijn neef is de Armin van Buuren in onze familie. Hij verstaat
zijn vak.
Zo te zien aan de rommel op je nachtkastje word je goed
verzorgd. Glaasje koud drinken, stripje paracetamol, papieren zakdoekjes, een
neusspray waar je niets aan hebt, want voor dit merk is Bonne ongevoelig, hij
wordt er niet koud of warm van. Die hoestsiroop doet wel iets aan het
vastzittend slijm, maar hoesten zal je.
Nou, ik heb genoeg gezien en ben wel tevreden met wat ik heb
aangericht.
Beterschap, hè. Oh ja, er is tegen mijn vileine streken maar
één remedie. Uitzieken.’
Vanonder het dekbed zie ik het loeder met een grijns op het
gezicht in haar snotgroene jurkje van de bedrand glijden. Serpent.