‘Dumpen die vent, hij deugt niet’, zegt mijn moeder als ik
haar een foto van mijn nieuwe vriend laat zien. Ze bestudeert de foto met volle
aandacht, ze snuffelt er bijna aan.
Het lijkt of ze onheil ruikt.
‘Jawel hoor’, zeg ik. ‘Hij is aardig, houdt van lekker eten
en een glaasje wijn. Hij is belezen, weet overal over mee te praten, heeft gestudeerd
en niet onbelangrijk, hij heeft een
leuke kop.’
‘Geliefd bij vriend en vijand zeker’, snuift ze met enige
minachting.
‘Zijn vrienden heb ik nog niet ontmoet en als ik goed naar
hem luister heeft hij geen vijanden.’
‘Kan niet waar zijn, met zo’n verwaand smoel moet je vijanden
hebben. Dat hij niet mee wil komen om kennis te maken is ook al raadselachtig. Ik
zeg het je, de vent deugt niet.
Die gaat karaktermoord op je plegen. Maar als
jij zonodig je neus wilt stoten ga gerust je gang.
Niet komen zeuren dat ik je
niet heb gewaarschuwd.’
Ik sluit me af voor alle argumenten die zijn aan te voeren
om met andere ogen naar mijn nieuwe vrijer te kijken. Hij is de man die me een
avontuurlijk leven bezorgt, hij neemt me mee naar feestjes en vertrouwt mij
achter het stuur van zijn dure auto om thuis te komen.
Dat ik alle zeilen
bijzet om hem bij te houden in zijn bestaan, wil ik niet zien.
Als ik na zes maanden mentaal en verbaal geweld ben murw
geslagen en het gevoel heb dat ik oliedom ben en alleen deug om de BOB te
spelen, word ik eindelijk wakker uit mijn droomstand, recht mijn rug en dump de
geweldenaar.
Als ik mijn moeder op de hoogte breng, verwijt ze me niets
maar zegt: ‘Ik wist wel dat ik een sterke meid heb gebaard.’
WE-300 schrijf in 300 woorden een stuk over het woord evenaren zonder het woord te gebruiken.
Voor meer info en verhalen zie: https://platoonline.wordpress.com/