Vanuit het aanrechtkastje waarin de bak met aardappelen staat slaat een verstikkende rotte walm in mijn neus. Ik herken de geur meteen en plons jaren terug in de tijd. Mijn lagere school heeft een soort najaarsvakantie, ook wel aardappelverlof genoemd. Terwijl een aantal van mijn klasgenootjes dagelijks mee moet naar het land om aardappelen te rapen, mag ik een keer in de aardappelschuur van mijn opa aan de schudmachine helpen. De verse oogst moet van rotte exemplaren worden ontdaan. Mijn beide volwassen ooms Herman en Klaas staan in blauwe overalls aan weerszijden van de machine. Op een omgekeerd aardappelkistje sta ik naast oom Klaas toe te kijken.
Op het ratelende, oorverdovende ritme van de machine springen de verse aardappelen vrolijk op. Al schuddend rollen ze van boven naar beneden over een trillend rooster in een jute zak. Als de zak bijna vol is schakelt Herman de machine uit en tilt Klaas de zware handel op de bascule. Nu het even stil is in de schuur lijk het of ik de muffe geur van aardappelen en vochtige klei meer ruik. Naast de bascule ligt een rolletje stevig touw en een grote kromme naald.
Bij het juiste gewicht naait Klaas met grote steken de zak dicht.
Ondertussen hangt zijn broer een nieuwe zak op en zet de schudmachine weer in beweging. Aandachtig kijk ik toe hoe oom Herman vliegensvlug een aardappel grijpt die niet opspringt en rolt. De toppen van zijn vingers verdwijnen in de aardappel. Uit de schudmachine rijst een misselijk makende verstikkende stank op. Kokhalzend spring ik van het kratje en ren onder plagend gelach van mijn ooms de schuur uit regelrecht naar de warme keuken van mijn oma.
'Wat is er met jou, ben je ziek?' Ik schud mijn hoofd. 'Misselijk', piep ik. 'Een stinkende aardappel, zo vies.' 'Volwassen kerels die jou plagen met een rotte aardappel. Als ze straks brood komen eten zal ik ze even flink de waarheid vertellen. Stelletje mispunten.'
Ha, er zwaait wat voor mijn ooms. Langzaam trekt de misselijkheid weg.
Oma reddert bij het fornuis waarop de ketel met warm water gezellig staat te zingen. Op de melk die staat op te warmen trekt langzaam een vel. Ze port het fornuis op om de melk aan de kook te brengen. Oma trakteert me op warme chocolademelk. In een beker met boerenbontopdruk strooit ze twee flinke lepels bruine cacaopoeder, daarop gaan twee scheppen suiker en een klein scheutje koffiemelk. Ze roert met een theelepeltje tot een bruin papje, dat glinstert van de suiker, op de bodem verschijnt. Ze vult de beker tot de helft met de melk die aan de kook is gekomen en roert net zo lang tot het bruine goedje is opgelost. Daarna gaat de zoet ruikende volle melk erbij. Ongeduldig wacht ik tot de loeihete drank zover is afgekoeld dat ik voorzichtig een slok durf te nemen. De bitterzoete lekkernij glijdt warm en zacht over mijn tong naar mijn maag waar ik het voel aankomen. De geur van de warme chocolade verdringt de stank van de rotte aardappel. Ik neem me voor nooit meer aan de schudmachine te helpen.
Terwijl ik met de bak naar de groenbak loop bereid ik me voor op de greep in de rottende aardappel. Bij gebrek aan een schudmachine ben ik genoodzaakt elke aardappel op te pakken. Onder een schimmelende schil voel ik mijn vingers wegzakken in vochtige brij. Hebbes. Ook al was ik mijn handen vandaag nog tien keer, het zal niet helpen. In een van de aanrechtkastjes vind ik een doos Droste cacaopoeder.
Schrijfcursus: oefening zintuigelijk schrijven.