Tussen de buien door en met
straffe tegenwind fiets ik naar Lidl voor een broodnodige boodschap. Tijdens
het stallen van mijn fiets zie ik vanaf de parkeerplaats een vrouw op leeftijd
richting de supermarkt lopen.
Een grijze uitgezakte jas
hangt als een hobbezak om haar lichaam en haar lange haren zijn in de wind
verwaaid geraakt. In haar kielzog loopt een corpulente jongere man. Ze moppert
op hem en klaagt over de haast die hij de vorige week had tijdens het
boodschappen doen. De conclusie dat het haar zoon is die voor vervoer heeft
gezorgd, ligt voor de hand.
We arriveren tegelijk bij de
schuifdeur waar ik het stel laat voorgaan.
De man stevent regelrecht
naar de groenteafdeling waar bleekrode Hollandse aardbeien in het schap liggen.
Achter hem sputtert zijn moeder: ‘Ben je gek joh, die dinge sjijn niet te freejte,
het is geen taid foor aardbaien.’ Zo dat kan de beste supermarkt in groente en
fruit in de zak steken.
Ik schiet in de lach, steek
mijn duim op en zeg: ‘U heeft gelijk mevrouw, ze zijn in oktober echt niet
lekker meer.’
Ze grijnst naar me. ‘Se hete niet voor niks somerkoninkjes.’ Aan de rij tanden die ze bloottrekt ontbreekt
er een aantal. Als je niet beter wist zou je denken dat ze aan het wisselen is.
Terwijl ik afzwaai naar de
bakkerij vraag ik me af of ik dit stel een poosje ongemerkt zal volgen. Zij
lijkt mij het type waar misschien wel een verhaal in zit. Er komen vast meer
luidruchtige opmerkingen uit haar gehavende mond die zoonlief, al dan niet geduldig, in zijn oren moet
knopen.
Maar aangezien het nog steeds
droog is lokt het me meer om te proberen ook droog thuis te komen.
Met twee,
nog warme stokbroden onder mijn arm, kies ik voor een snelle gang naar de
kassa.