Schrijfcursus
Eerste deel van opdracht 2:
Kies één van de dieren en schrijf een monoloog in acht
zinnen.
Ik koos de grijze duif en schreef het volgende:
‘Wat zitten die twee toch
naar mij te staren.
De witte soortgenoot heb ik
hier nog nooit gezien, het lijkt wel of hij me wil versieren.
Ik moet er goed over nadenken
of ik daar voor voel, voor je het weet zit ik op een nest met eieren en vliegt
meneer Sierduif vrolijk zijn rondjes in de wijk.
Die charmeur heeft niet eens
in de gaten wat er achter hem gaande is, je moet er toch niet aan denken dat
hij je kroost moet beschermen tegen zo’n fel uit zijn ogen kijkende kat.
Nee, deze soortgenoot moet
wel van een goede duiventil komen wil ik met hem een nest bouwen.
Ik krijg zo onderhand wel
genoeg van die theemuts achter het raam, dat beest fixeert me compleet met die
doordringende blik, ik word er onrustig van.
Nou ja het wordt ook tijd om
te gaan, de schemer valt in en ik wil voor donker in de kerktoren zitten, nog
even bij de bakker langs om een graantje mee te pikken.
Zal ik hem toch vragen mee te
vliegen?
Advies:
Maak voor de lezer zichtbaar wie die twee zijn. Ik had ze meer kunnen
beschrijven.
De
andere opdracht ligt ingewikkelder daar kom ik als ik meer tijd heb nog op
terug.
Ben
even druk met andere zaken.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten